Article
1936
Egmond in nieuw licht
Bij het congres van ‘Ons Geestelijk Erf’
Nu Egmond weer zijn Benedictijnen heeft, de oude traditie weer levend is geworden, heeft ’t bestuur van ‘Ons Geestelijk Erf’, dat geregeld congressen houdt ter bestudeering van het geestelijk leven in de Nederlanden, gemeend geen beter onderwerp voor het Congres van dit jaar te kunnen kiezen dan de Benedictijnsche traditie in de Nederlanden.
Nederland is zooveel aan de Benedictijnen verschuldigd, dat het een ernstige leemte in de geschiedschrijving van het geestelijk leven in de Nederlanden zou beteekenen, indien niet een ruime plaats werd ingeruimd aan hetgeen op geestelijk gebied de Benedictijnen voor ons land hebben beteekend. Men heeft reeds veel geschreven over de geschiedenis van Egmond, tal van conferenties zijn er aan gewijd, het verdiende aanbeveling, meer in het bijzonder de geestelijke zijde dier geschiedenis te belichten. De Benedictijnen zijn kloosterlingen.
Hun geschiedenis moge belangrijk zijn op menig gebied, wij mogen roemen op hun grootsche abdijen als centra van ontginning en grondslag van een geordend maatschappelijk leven, men mag de belangrijkheid er van hoog aanslaan op het gebied van menschelijke cultuur en beschaving, boven dit alles staat zeer zeker hun groote beteekenis voor de prediking van den godsdienst, voor de ontwikkeling van het liturgisch leven in het bijzonder. Zij leefden volgens een ouden regel en deze hield samen, bracht continuïteit in hun werk, regelde hun werkzaamheid naar een vast program.
Men kan de beteekenis der Benedictijnen voor Nederland en evenmin de groote beteekenis van den wederopbouw van de abdij van Egmond niet verstaan, als men niet tot de bronnen gaat, waaraan die werkzaamheid is ontsproten, tot den geest, die deze Orde kenmerkt al de eeuwen van haar bestaan.
Zij vormen een school en wij doen goed, de leidende beginselen dier school nader te onderzoeken en te leeren kennen.
De geschiedenis wordt soms te uiterlijk opgevat.
Het is zoo moeilijk, in de geschiedenis invloeden vast te stellen. Men moet wel alle hulpmiddelen te baat nemen om tot haar geheimen door te dringen.
Gelijk het voor de geschiedenis van een persoon van groote beteekenis wordt geacht, te kunnen nagaan, welke vorming hij heeft gehad, welke scholen hij bezocht, welke leermeesters hem onderwezen, omdat daarin kostbare aanwijzingen liggen voor het verstaan van zijn later leven, zoo is het voor de geschiedenis van een Orde als die der Benedictijnen in de Nederlanden, van de grootste waarde, dat wij ons een zuiver denkbeeld vormen van hetgeen deze Orde eigenlijk wilde, wat als haar idealen aan de jonge novicen der Orde werd voorgehouden, wat in één woord de traditie dier Orde uitmaakt.
Men heeft daar wellicht maar een vage voorstelling van.
Men kent de Benedictijnen van dezen tijd en ziet ze zoo ook in het verleden, hoewel men begrijpt, dat er schommelingen waren in de opvatting van den regel zoowel als in de observantie er van. In een Orde, welker geschiedenis zich over eeuwen uitstrekt, gaan uiteraard tijdperken van bloei gepaard met tijdperken van inzinking. Maar het is typisch, hoe steeds de vitaliteit zoo groot bleef, dat na een inzinking weer een hervorming kwam, nieuw leven werd gewekt door de oude nooit losgelaten idealen.
Met de Reguliere Kanunniken zijn de Benedictijnen de oudste kloosterlingen van ons land. Zij hebben meer gedaan dan het geloof prediken, al zijn hun verdiensten op dit gebied buitengewoon groot, zij zijn het geweest, die het Katholieke leven tot zijn hoogste hoogte hebben trachten op te voeren door te midden der bekeerde streken kloosters te stichten, zooals reeds Bonifatius zeide, niet slechts om den missionarissen een oord van herstel en verkwikking te wezen, niet slechts om nieuwe krachten voor het missiewerk te kweeken, maar vooral ook om in dien tijd van vrij primitieve godshuizen en kapellen, van de allereenvoudigste godsdienstoefeningen plaatsen te hebben, waar God met luister en ononderbroken werd geëerd, waar een plechtige liturgische dienst het geestelijk leven van een vrij groote menigte, van de abdij afhankelijk voedde, waar het voorbeeld werd gegeven, hoe het kon en moest, waar men zich geheel aan God kon wijden en voor hem alleen kon leven.
Daar zijn de Heiligen gevormd, die Nederland in dien tijd in grooten getale heeft voortgebracht. Daar werd het geloof gevoed, omdat men er de boeken schreef, die het geestelijk voedsel voor de kerk der Nederlanden moesten wezen. Daar kwam het volk samen om aan zijn godsvrucht te voldoen.
Drie dagen zullen de aanstaande week gewijd worden aan de studie van wat men noemt de Benedictijnsche spiritualiteit. Mannen van gezag zullen er besprekingen inleiden over de meest essentieele punten van de geschiedenis van het Benedictijnsche geestelijk leven.
Dr. C de Clercq uit Antwerpen, die als doctor in de Oostersche wetenschappen, een uitgebreide studie maakte over het kloosterleven in het Oosten, waaraan St. Benedictus zich spiegelde, al stelde hij een regel vast voor het Westen, zal zeker een waardevolle studie geven over den regel van St. Benedictus. Dom Beekman van Egmond zal beproeven een schets te geven van het kloosterleven in de oude abdij, terwijl Piet Visser in het licht zal stellen hoe ook te zijner tijd in Egmond de oude idealen weer opnieuw opleefden en Egmond zich aansloot bij de beroemde Congregatie van Bursfeld om den ouden regel weer in al zijn heerlijkheid te onderhouden. Een goede gedachte is het ook, dat iemand als Mgr. Dr. van Gils ons een blik zal gunnen in de oude boekerij van Egmond, niet op de eerste plaats om onze bibliographische kennis te verrijken, maar om te laten zien, uit de boeken, welke te Egmond waren, welke geest er moet hebben geleefd. Een man, doorkneed in het liturgisch leven, geziene figuur op de liturgische congressen, Dom Albertus van Roy uit de oude Abdij van Affligem, de abdij, die aan Egmond haar hervorming dankte, zal spreken over een der schoonste idealen van de Benedictijnerorde, het liturgisch leven. Al deze onderwerpen zullen den eersten avond (Dinsdag 8 uur) worden ingeleid door Dom Scheerman van Egmond, met een overzicht van het Benedictijnsch kloosterleven in de Nederlanden en den laatsten avond, Donderdag 8 uur, worden besloten door den Egmondschen Prior Dr. Dom Huijben over de geestelijke leer der Nederlandsche Benedictijnen in de middeleeuwen. Als ik ten slotte zeggen mag, dat het Congres staat onder de bezielende leiding van Pater Dr. Stracke S.J. uit Antwerpen, die op de tot heden gehouden congressen zoo meesterlijk alle sprekers inleidde en uitgeleide deed, dan is de verwachting zeker niet te hoog gesteld, als we dit Congres een der schoonste achten, welke ‘Ons Geestelijk Erf’ nog heeft georganiseerd.
Het Congres wordt gehouden te Amsterdam.
Daar wonen de meeste vrienden van Egmond, daar komen ze het gemakkelijkste samen, daar vinden ook de vrienden van ‘Ons Geestelijk Erf’ gemakkelijk bij vrienden en bekenden onderdak.
De Zusters Franciscanessen van Heythuisen hebben voor het congres haar Lyceum open gesteld. In haar gastvrije lokalen kunnen de besprekingen rustig plaats vinden. We hopen er vele vrienden van ‘Ons Geestelijk Erf’ zoowel als van Egmond samen te vinden. Het Lyceum aan de Reinier Vinkeleskade zet de deuren wijd open voor allen, die in deze besprekingen belang stellen. Kaarten of toegangsbewijzen zijn niet vereischt. Dinsdagavond zal om 7 uur een Lof het Congres openen, terwijl Vrijdagmorgen de sluiting zal geschieden met een plechtige H. Mis, niet echter in de kapel van het Lyceum, maar in Egmond. Is het mogelijk, dan zal de Hoogw. Abt van Affligem op den Adalbertsakker een pontificale H. Mis opdragen met al den luister van de Benedictijnsche liturgie en den stemmigen koorzang der Egmondsche kloosterlingen.
Zoo moge de stichting van de nieuwe Egmondsche Abdij nog beter worden verstaan en de geest van St. Benedictus nog weder beter begrepen.
Titus Brandsma, O.Carm.
Nijmegen.
- Published in: De Tijd, 6 September 1936, p. 5 (See also NCI OP30.41). ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026