Een bijzonder voorrecht

Article 

1938

 

Een bijzonder voorrecht

[1]

Wij eeren, wij vereeren onze Koningin.

Wij doen dit, omdat zij de kroon draagt, het hoogste gezag in onzen Nederlandschen staat vertegenwoordigt, de Hooge Landsvrouwe is, die, zij het constitutioneel, over ons regeert. Op dien titel alleen reeds mag zij aanspraak maken op eer en vereering. Wij erkennen en eerbiedigen het wettig gezag. Wij zijn en willen zijn trouwe onderdanen. De jaren van haar koninklijk bestuur hebben de Koningin bewezen, dat zij op ons rekenen kan, dat Nederland er fier op gaat, een Koningin te erkennen.

Maar er is nog een andere titel.

Wij, Nederlanders, kunnen wel, als het moet, abstractie maken van den persoon om alleen het gezag, dat deze draagt, in hem te eeren, maar wij doen dat toch niet graag.

Wij brengen te liever hulde en eer aan onze Koningin, omdat zij meer is, meer voor ons beteekent dan draagster te zijn van het hoogste gezag. Wij zien daarmee dingen verbonden, die wij op wellicht nog hooger prijs stellen, al wortelt dan tenslotte die waardering ook weer in onzen eerbied voor haar gezag. Juist omdat zij dat hoogste gezag draagt, waardeeren, neen, eeren en vereeren wij in haar gaven, die wij ook in andere vrouwen op hoogen prijs stellen, maar toch in niemand meer dan in haar, die onze Koningin is.

Ik treed hier niet in de vele gaven, die onze Koningin de vereering van haar volk in niet geringe mate waarborgen. In velerlei accoord wordt in dezen tijd haar lof gezongen. Maar op één meen ik hier het licht te mogen laten vallen, één, die vooral in dezen tijd op zeer bijzondere wijze te waardeeen valt en waaraan niet slechts wij, maar ook zijvelve, blijkens vele harer daden, de hoogste waarde hecht.

Onze Koningin is en wil zijn een Christelijke vrouw.

Dit is niet zonder beteekenis.

Dit is van groote, vooral moreele waarde.

Meer, het is een voorrecht, een heel bijzonder voorrecht.

Het is een voorrecht voor Haarzelve, het is een voorrecht ook voor ons.

Van een Koningin gaat veel uit.

Onze constitutioneele regeeringsvorm moge hare handen niet zulk een groote bewegingsvrijheid laten, dezer dagen is duidelijk genoeg en van verschillende zijden in het licht gesteld, dat de Koningin met den grooten eerbied, dien zij voor de Constitutie aan den dag legt, toch haar persoonlijkheid in het landsbestuur doet gelden en, zoover de wetten des lands het toelaten, stellig en met overtuiging meespreekt in hetgeen met haar koninklijken naam wordt bezegeld.

Maar is onder dit opzicht haar macht beperkt, haar invloed begrensd, haar moreele invloed is er wellicht te grooter om.

Deze invloed is zeer groot. En juist omdat deze zoo groot is, is het van zoo ver strekkende beteekenis, dat onze Koningin is en zijn wil bovenal een Christelijke vrouw.

Het Nederlandsche volk is, gelukkig, nog altijd in groote meerderheid een Christelijk volk.

Die Christelijke gezindheid is een hechte waarborg van erkenning en eerbiediging van het koninklijk gezag.

Maar zij vraagt, ja, ik zou haast zeggen, zij verwacht en eischt, dat wie dit hoogste gezag draagt, voor het volk niet onderdoet in diezelfde Christelijke gezindheid.

Wij zouden het jammer vinden, indien het hooge voorrecht van de Christelijke Openbaring niet genoten werd door Haar, die de hoogste plaats inneemt, op de eerste plaats om Haarzelve, maar tevens om het goed, dat daaruit voor den staat der Nederlanden voortspruit.

Van de Koningin gaat groote invloed uit.

Zij, die leven in de Christus-gedachte, willen in de belijdenis daarvan de Koningin niet missen. Zij zouden het als een leemte voelen, indien de Koningin in dit heiligste en meest geliefde niet aan hun zijde stond, niet voorging.

Haar voorbeeld is een kracht voor de zwakken, die nu eenmaal de kracht van het trekkende voorbeeld behoeven om op den goeden weg te blijven.

De Christelijke gezindheid van de Koningin houdt den eerbied voor de Christelijke belijdenis, het handhaven van de Christelijke beginselen levendig.

Vooral in dezen tijd van Godverloochening en Godsverguizing, ook door Regeerders van volkeren, die Christelijk zijn, is het als een zeer bijzonder voorrecht voor het Nederlandsche volk te beschouwen, dat het, met zijn Koningin aan het hoofd, de fiere leuze kan handhaven, door Haar eens geschreven als typeerend voor haar koninklijk bestuur: “Christ avant tout: Boven alles Christus”.

Wij, Katholieken, mogen het betreuren, dat zij, voor ons de Uitverkorene Gods om het staatsgezag te dragen, niet deelt in de volheid van het door ons beleden Geloof, dit neemt niet weg, dat wij oprecht blijde zijn en het als een bijzonder voorrecht, ook voor ons Katholieken, beschouwen, dat onze Koningin Christus ziet als den Verlosser der menschen, naar wiens Openbaring het veiligst en het vruchtbaarst de volkeren worden geregeerd. Zij handhaaft met en voor ons de Christelijke beginselen in het Nederlandsche Staatsbestuur, zij het niet steeds zoo uitdrukkelijk als Zij zelve willen zou in alle daden van bestuur, des te sterker en met des te inniger overtuiging in alle daden van haar persoonlijk leven.

Nederland weet, dat het een godsdienstige Koningin heeft.

Nederland weet dat en is er blij om.

En vandaag bidden millioenen door Christus, hun God en Heer, dat Hij, de Middelaar der Genade, aan onze Koningin zijn genade schenke tot heil van Haarzelve, tot heil van heel het volk, door Gods bestel haar volk.

Nijmegen, Augustus 1938.

Prof. Dr. Titus Brandsma, O.Carm.

 


  1. Published in: De Gelderlander, 6 September 1938, p. 6 (See also NCI OP30.40). An article on the occasion of Queen Wilhelmina’s 40th anniversary as Queen of the Netherlands. ↑

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026