Blinden zien

Article

1926

 

Blinden zien

[1]

De blinden komen te Nijmegen. Wij gaan blinden zien.

Zij komen hier om zich te laten zien.

’t Klinkt verschrikkelijk, ’t klinkt vreeselijk hard, maar de waarheid is het.

Maar al is het een harde waarheid, een waarheid, die ons in het aangezicht slaat, meent nu toch weer niet, dat zij die komen, dit voelen als een last, het een harden gang vinden, van Grave naar hier te komen.

Neen, zij komen graag, zij komen met blijdschap, ik zou haast zeggen, al is het hier beeldspraak, zij zien er met verlangen naar uit.

En toch is het verschrikkelijk.

En toch klinkt het hard.

Zij komen om zich te laten zien, dat wil hier echter zeggen, zij willen ons toonen, wat opvoeding en hulp aan de blinden kan schenken, wat steun aan een instelling ter opleiding van blinden voor een weldaad beteekent.

Zij komen niet voor zichzelve.

De blinden, die komen, zij behoeven uw hulp niet meer.

Maar zij zijn de levende en getuigende getuigen, wat opvoeding vermag. Zij komen dit toonen, opdat na hen anderen de zegeningen van die opleiding zouden kunnen genieten.

Geen medelijden behoeft U naar de zalen der Vereeniging te leiden. Veeleer een zucht naar bewondering. Zeker, ik zou een beroep kunnen doen op uw medelijden en ik zou bij velen gehoor vinden, want het christelijk hart kent gelukkig het medelijden altijd nog als een heerlijke deugd. Maar, welk een groote plaats ook het medelijden mag innemen, ik zie in den avond, die georganiseerd is, nog heel wat anders, het medelijden komt eerst op de tweede plaats.

Wij gaan er heen om iets heerlijks te zien, een wonder lijkt het.

Komt eens zien, wat blinden kunnen.

Gij weet het niet, gij beseft het niet. Gij hebt er van gehoord, maar zoolang gij het niet gezien hebt, weet gij het niet, want men heeft U, al heeft men het nog zoo treffend geschilderd, er geen denkbeeld van kunnen geven, wat blinden kunnen. Naar Grave kunt ge niet allen gaan, al zou ik den raad er toe willen geven, maar gaat nu eens naar de Vereeniging. Nu komen de blinden hier. Komt nu tenminste zien.

Ge vindt het misschien ‘zielig’ naar menschen te komen zien, die ongelukkig zijn. Er zit voor U iets onbehagelijks in, een schouwspel van ellende voor uw oogen te zien gebracht.

Maar als gij dat denkt, dan hebt ge van den avond in de Vereeniging geen juiste voorstelling.

Gij wordt verrukt. Gij raakt in de grootste bewondering voor het heerlijke, dat er U te genieten wordt gegeven. En gij vraagt U af, zooals vóór U zoovelen vroegen: Zijn dat blinden?

Ja, dat zijn blinden, niet zooals gij ze nog kent in uw omgeving, het innigst medelijden wekkend, maar zooals ze worden in het Blindeninstituut te Grave.

En omdat zij zoo innig diep beseffen, wat een weldaad hun is bewezen, komen zij hier om zich te laten zien.

Zij laten zich zien en hooren, omdat wij menschen nu eenmaal zoo hardleersch zijn, dat wij ons geen denkbeeld kunnen vormen van hetgeen voor de blinden kan worden gedaan en wat de vruchten zijn van hun opleiding.

Als we Woensdag 24 November al het mooie hebben genoten, dan komt de wensch, de verzuchting bij ons op. Konden nu alle blinden eens zooveel leeren. Wij voelen, dat, als dat kon verwezenlijkt worden, een leed zou zijn verlicht, dat wij zwaar weten, ontzettend, ja zwaar om van te huiveren.

Het besef moet doordringen niet zoozeer van het groote lijden, het zware gemis der blinden. Dit is levendig genoeg. Maar van hetgeen mogelijk is, als die blinden worden samengebracht in een Instituut als het Sint-Henricusgesticht te Grave.

De blinden worden er niet ziende gemaakt, maar zij lezen boeken en verrichten allerlei vaak zeer ingewikkelde werkzaamheden, beter dan velen, die het genot hunner oogen bezitten. Zij leeren niet alleen hoe zij de gewone handelingen van het leven, waar de oogen ons, zonder dat wij het bemerken, leiden, ordelijk en handig verrichten, maar ook door het blindenschrift geestelijk voedsel tot zich nemen en allerlei ambachten uitoefenen, waarvan men meenen zou, dat een blinde er zelfs niet voor in aanmerking komt. Zoo gaan ze na enkele jaren terug naar de maatschappij waarin zij hulpeloos stonden, nu in staat zich door het leven te slaan. Daarmee is niet alleen hun stoffelijk bestaan verzekerd en oneindig verbeterd, maar ook heel wat gedaan voor hun zieleleven. Er is hun een wereld ontsloten, waarin geest en hart voedsel vinden, dat zij zoo moeilijk kunnen ontberen. Het gemis van het licht der oogen sluit, wanneer niet bijzondere maatregelen worden getroffen, geen speciale opleiding daarin voorziet, tot een hulpeloosheid, die het karakter drukt, de werkkracht verlamt, den mensch bijna geheel buiten de samenleving stelt, zoodat er ook, terwijl het zoo donker is buiten, ook binnen in de ziel haast geen zonnetje schijnt.

En dan te weten, dat het anders kan.

Dan moet het anders.

Maar het wordt niet anders dan met medewerking van velen.

En om velen tot die medewerking te brengen, moet er eerst de wetenschap zijn van de heerlijke resultaten.

Woorden wekken, voorbeelden trekken.

Geen reeks artikelen in de huis aan huis gelezen Gelderlander kan uitwerken, wat ’n bezoek Woensdagavond aan de Uitvoering van de Blinden in de Vereeniging bewerkt.

En daarom hulde aan de vrouwen en mannen, die zich er voor spanden om de Blinden hier in de gelegenheid te stellen zich te laten zien. Ik hoop, dat zij eer en succes hebben van hun werk en de zaal Woensdag vol is.

Het is reeds een eerste reden tot blijdschap, dat deze Blinden-vrienden zijn opgestaan om het werk van de opvoeding van blinden, gelijk die te Grave plaats heeft, te doen kennen.

Maar reden tot blijdschap geeft ook de medewerking van zoovele blinden zelve. Het getuigt van hun socialen zin, van hun medevoelen met hun lotgenooten, van hun dankbaarheid, waaruit blijkt, dat zij steeds meer blinden zouden willen doen genieten van hetgeen zij ontvingen. In hun optreden zien we, dat er te Grave iets gepresteerd wordt, niet op de eerste plaats, waarnaar wij bewonderend opzien, maar dat door degenen die het voorwerp waren van de zorgen daar gewijd, allerhoogst wordt gewaardeerd.

Dat dit medevoelen van de blinden met elkander ons prikkele, nog iets meer te doen voor de tot heden van opvoeding verstoken blinden, voor de uitbreiding van dit liefdewerk bij uitstek. Wij hebben er meer den plicht toe dan de blinden zelve, die, al zijn ze dan geholpen, toch veel missen, waarop wij een beroep op hun medewerking zouden kunnen en mogen gronden. Waar zij iets en zelfs veel doen daar moeten wij, die zien, meer doen.

En zoo wordt ten slotte toch deze uitnoodiging tot dezen zeker mooien avond in de Vereeniging nog een beroep op steun en medewerking.

Maar nog eens, niet op de eerste plaats.

Op de eerste plaats vraag ik u, dezen avond nu eens vrij te maken, alleen maar om eens te komen zien. Ik weet wel, dat het zal leiden tot uw sympathie, daadwerkelijke sympathie voor dit mooie werk, maar ik laat dit graag over aan den avond zelven. En daarom geen kaarten om het werk te steunen en dan niet naar de Vereeniging gaan, neen, komen moet ge er, komen en zien. Het is niet om uw financieelen steun te voldoen, het is te doen om u iets te laten zien, waarvan ge geen spijt zult hebben, het is om u iets te laten zien, dat indruk op u moet maken en u een besef moet bijbrengen, dat hoe levendig misschien, toch nog niet levendig genoeg is.

Als dat besef levendig genoeg was, behoefden hier de blinden niet te komen spreken en zingen van hun lief en leed.

En hebt ge op de eerste plaats medelijden met de blinden en komt ge niet om hun opvoeding te bewonderen, komt dan om hen te toonen, dat zij te Nijmegen vrienden hebben, tallooze vrienden. De groote zaal van de Vereeniging heeft veel plaatsen, maar me dunkt toch, dat de blinden, als ze zoeken naar plaatsjes in de harten van de Nijmeegse bevolking, daar nog meer plaatsen zullen vinden. Kwam dat Woensdagavond eens tot uiting.

Dan scheen het zonnetje voor de blinden.

 

Nijmegen, 17 November

Dr. Titus Brandsma, O.Carm.

 


  1. Published in: De Gelderlander, 17 November 1926, p. 9 [Nijmeegsch Nieuws]. (See also NCI OP 29.24). ↑

 

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026