Franciscus-kruisridder

Article 

1926

 

Franciscus-kruisridder

Prof.dr. Titus Brandsma, O.Carm.

[1]

Driemaal nam Franciscus het Kruis aan.

Eerst glinsterde het op zijn schild als voltooiing zijner ridderlijke uitrusting, toen hij naar Zuid-Italië toog om er de eer van den ridderslag te worden waardig gekeurd, maar reeds terugkeerde te Spoleto. Hij had gedroomd, het steeds in zijn schild te zullen voeren, er ridder mee te worden naar Middeleeuwsch ideaal, Kruisridder in den romantischen tijd der Kruistochten.

Hij legde het af voor een beter. Kruisridder bleef hij, maar hij werd het in hoogeren zin.

Niet slechts schild en wapenrok legde hij af, hij ontdeed zich voor het oog zijns vaders van al wat hij bezat, zelfs van zijn kleederen en hij dekte zijn naaktheid met een hemd en een ouden mantel, hem door een knecht van den bisschop van Assisi gereikt. Op dien mantel teekende hij met oker een kruis. En daarmee geteekend begon hij, nu kruisridder in edeler zin, zijn met alle wereldsche wijsheid spottend leven, schaarde hij rondom zich een leger talrijker dan de stoutste kruisvaarders, maakte hij grooter veroveringen, dan hij als ridder ooit gedroomd had te zullen maken.

De derde teekening met het Kruis was van nog hooger orde. Zij geschiedde door hooger macht in het visioen van den Seraf op den berg Alverna, toen hem op het einde van zijn leven de wondeteekenen des Heeren werden ingedrukt om ons te doen zien, dat dit geen ander stempel verdiende dan het teeken van het Kruis.

In dit teeken heeft Franciscus gezegevierd.

De Kerk was in de elfde en twaalfde eeuw een groote, ook wereldsche macht geworden. In die macht, hoe schoon in zichzelve, schuilde niet alleen een groot gevaar, de glans van wereldsche schoonheid verduisterde de glorie van het rijk, da nu eenmaal, volgens het woord van haar Goddelijken Stichter en Koning, niet van deze wereld is.

Gelukkig waren er steeds velen, die de ware glorie van het Godsrijk stelden boven den schijnglans, haar door de wereld geschonken, die de wereld versmaadden om verre van haar, in strijd met haar te streven naar het door God gestelde ideaal en telkens en telkens weder een reactie inleidden tegen die verwereldlijking van het edelste en meest geestelijke in de H. Kerk.

Vooral in een tijd, waarin de riddergeest weder opleefde, van alle zijden een bewijs werd gedaan op de offervaardigheid van edelgezinden, waarin duizenden braken met land en maagschap om hooger belangen te dienen, in dien tijd moest naar de ontaarding van den adel in den ruwen strijd, den druk der nederlaag of den roes der overwinning een beweging ontstaan, die den herleefden riddergeest leidde naar hooger idealen, waarvoor de strijd wel meer moed vroeg maar ook onvergankelijken kroon waarborgde. En niet alleen de ridders deden van tijd tot tijd pogingen om tot een beter en ideëeler leven te geraken, ook de geestelijkheid werden nieuwe wegen gebaand, enger en steiler en meer in overeenstemming met den nauwen moeilijken weg, die ten Hemel voert. Met ridders en geestelijkheid wist ook de opkomende derde stand der burgers nieuwe wegen te vinden, die zekerder leidden naar het Godsrijk, waarvan niet weinigen binnen korten tijd het einde verwachtten. De Cisterciensers en Norbertijnen in het Westen, de Carmelieten in het Oosten verbaasden reeds de wereld door hun terugkeer tot een staat van armoede, die aan Christus’ leven herinnerde. De Tempeliers begonnen hun organisatie als de ‘arme medestrijders van Christus’. Het optreden der Waldensen doet zien, hoe sterk de zucht naar vereenvoudiging ook de groote massa der leeken had aangegrepen. In breeden kring gevoelde men behoefte aan het herstel van het rijk van Christus in zijn innerlijke schoonheid van rijk, dat niet van deze wereld is.

In deze steeds sterker wordende reactie staat Franciscus als kind van zijn tijd, als man van zijn eeuw, geroepen om den geest van reactie, die hem stuwde, sterker te doen leven, te doen groeien tot een geweldige kracht, welke de kwaal, die zij bestrijden ging, aantastte in den wortel, den stroom, waartegen zij zich keerde, indamde en in nieuwe bedding leidde.

Franciscus’ succes is niet zoo wonderbaar. Zijn optreden moest dit hebben in den tijd, waarin hij leefde. Wonderbaar is zijn moed, wonderbaar zijn liefde.

Zij lagen mede in zijn natuur. Nooit was Franciscus een bloodaard. In Perugia voegde hij den edeling toe, die hem verweet, na de nederlaag van Assisi in den kamp met Perugia nog te schertsen: “Het is mij om het even, hoe gij over mij denkt. Ik heb een voorgevoel, dat mij nog eens de heele wereld zal vereeren.” Hij droomde van grootsche dingen. Toen hij uit de gevangenis te Perugia verlost, na een kort verblijf te Assisi, opnieuw uittoog om roem en eer te behalen in ridderlijken strijd en men het hoofd schudde over zijn uitgelatenheid en overmoed, zeide hij met nog sterker overtuiging: “Ik ben er zeker van, ik word nog een groot vorst.”

Hij wist nog niet, welk land hij zou veroveren. Maar hij voelde in zich den moed er toe.

Voor den strijd, dien hij strijden zou, behoefde die moed echter nog wel bovennatuurlijke versterking. Maar God, die riep, gaf hem ook de kracht. En zoo verschijnt Franciscus voor ons als een held, die kan, wat anderen niet wagen. Maar daarom kon en durfde Franciscus zooveel, omdat hij te Spoleto besloten had, niet den knecht maar den heer te volgen. Hij kon alles, nu deze hem versterkte.

Men moet Franciscus’ omkeer in Spoleto niet te zeer het karakter geven van een bekeering. Het was veeleer – al scheen het een omkeer – een geleidelijke ontwikkeling van hetgeen reeds lang in hem leefde.

Een miniatuur uit een Franciscusleven, in 1337 door Zuster Elsbet van Amberg geschreven, thans bewaard in het Capucijnenklooster te Wesemlin bij Luzern, stelt ons den jongen Franciscus voor, als ridder uitgedost, gezeten op een galoppeerend paard. Het schild aan zijn rechterarm draagt een groot kruis, dat reeds van verre den Christen ridder moet doen kennen. Vóór hem straalt het Goddelijk Aanschijn met de woorden: “Franciscus, wie kan”, “Francisce, quis potest”, aan te vullen met de woorden der legende: “meer voor u doen, de heer of de knecht?” Franciscus’ besluit was gevormd: Een geestelijk ridder zou hij worden. Het paleis, door hem in den droom gezien, met daarbinnen zijn bruid, het zou zijn de armste woning, waarin hij zich zou kunnen verloven met de nieuw verkorene zijns harten, de Armoede. Zijn eerste verklaring van zijn droom luidde: “Ik word een groot vorst”, maar te Spoleto “begon hij na te denken”, zegt de legende en begreep hij, dat de droom een andere betekenis had. Hoe edel hij zijn ridderplichten verstond en tevens hoe goed hij reeds was vóór zijn bekeering, bewijst, dat hij daags voor zijn afreis een ridder, die gaarne mee zou gaan, maar bijna niets bezat, de kostbare kleederen gaf, welke hij met de meeste zorg voor zich zelf had laten maken. Zulke ridders had het leger der Kruisvaarders vele moeten tellen. Dan had het niet den blaam verdiend, dien het zich op den hals haalde bij de verovering van Constantinopel, juist in die dagen, te rooven en de plunderen met “God wil het” op de lippen. Franciscus was als toekomstig ridder reeds doordrongen van de reactie daartegen.

Na zijn toewijding aan God pakte Franciscus de zaak echter harder aan. Hij kan geen arme zien, zonder hem te gedenken, hij geeft zich de muts van het hoofd, den mantel van de schouders en trekt zich zelfs terug om zijn hemd uit te trekken en weg te geven, als hij niets anders meer heeft, dat hij missen kan. Hij vermant zich, als hem bij de ontmoeting van een melaatsche afkeer en walging overvalt. Hij springt van zijn paard, geeft den zieke een geldstuk en kust hem de hand met de bede, dat deze hem zal omhelzen en hem den vredeskus geven. Hij trotseert alles en kust in het leprosenhuis alle melaatschen de hand, welke hij vult met zijn geld. Om vervallen kerken te herstellen, bedelt hij om steenen en sjouwt ze er op zijn schouders heen. Die van een degen droomde, hanteert nu voor niets den troffel. Hij haalt uit zijn vaders huis, wat hij er vindt, verkoopt ’t en brengt ’t geld aan den priester van San Damiano om diens kerkje te herstellen. Als dit dezen te machtig is, werpt hij het geld in de vensterbank. Hij wil het ook niet meer hebben en vraagt nu als bedelaar huisvesting aan den priester, bij wien hij zich met zijn geld dacht in te koopen. En als zijn vrijgevigheid zijn vader te buitensporig wordt en deze hem met geweld naar bedrijf en huis wil terugbrengen, dan ontwijkt hij hem wel een korten tijd en verbergt zich in een spelonk, maar na een maand verlaat hij zijn schuilplaats om zijn vader en heel Assisi te trotseeren al weet hij, dat men hem een gek noemt. En als zijn vader hem tenslotte aanklaagt bij den bisschop en teruggave vraagt van het weggeworpen geld, dan geeft hij hem alles, wat hem nog rest, met het geld uit de vensterbank zijn laatste kleedingstuk. En als hij alles kwijt is, voelt hij zich als verlost van een drukkenden last. Jubelend en luid zingend gaat hij de bosschen in om roovers, die hem overvallen, maar verbaasd staan over zijn armoe, te zeggen, dat hij zoo arm is als heraut van den grooten koning. Het deert hem niet, dat de roovers daarmee spotten, hem nog zijn ouden mantel ontnemen en hem in zijn hemd laten staan, hem aan grijpen en hem in een bergspleet werpen vol steenen, waaruit hij met de grootste moeite opkloutert. Zoodra zijn voeten weer op den beganen grond staan, vervolgt hij jubelend en zingend zijn weg door het woud. Dat deed zijn liefde tot het kruis. Nu kon men hem dagelijks in Assisi zien als bedelaar, maar als een bedelaar van bijzonder soort, die het slechtste nog het liefste had. Hoeveel weerzin heeft de jonge welopgevoede jonge welopgevoede man moeten overwinnen niet slechts om op te eten, wat men hem zooal gaf, maar ook om in ontvangst te nemen, wat men aan schimp en smaad daaraan toevoegde. Een heel enkele had spoedig eerbied voor zijn moed, maar de groote menigte beschouwde [1629] hem als een dwaas. De jongens van de straat namen een loopje met hem en werden driester, naarmate hij het geduldiger verdroeg. Zijn vader vloekte en ergerde zich, als hij hem ontmoette, zijn moeder weende en schaamde zich, als zij hem zag, zijn broeders en verwanten meenden de verlaging, die hij de familie aandeed, niet beter te kunnen beantwoorden dan door zich hoog boven hem verheven te achten. Toen zijn broeder Angelo en een makker hem op een kouden dag eens ontmoetten, zeide Angelo: “Vraag Frans, of hij in zijn armoe niet wat zweet wil verkoopen”. Franciscus had als altijd terstond zijn antwoord klaar: “Niet te koop dan voor den Heer en het brengt bij Dezen heel wat op.” Door het kuis tot de overwinning. De gedachte, dat hij zoo op Jezus geleek, dat hij zoo Christus navolgde, zette hem over alles heen.

Dwaas was hij geworden uit liefde tot Hem, die het werd uit liefde tot ons.

Hoe goed heeft dit later de H. Teresia ingezien, toen zij aan de Orde van Carmel haar eersten luister wilde hergeven. Wat spot ook zij dan met de wijsheid, de voorzichtigheid en de vrees, dat men ergeren zal. Zij dacht aan St. Franciscus. In de geschiedenis niet geschoold heeft zij niettemin begrepen, beter dan velen, die de geschiedenis kennen, waarin de kracht van het armoeds-ideaal, van de kruisliefde van St. Franciscus schuilde. Vond eens de beoefening van de armoede door de kluizenaars van den Carmel haar bekroning en bevestiging in de nog heldhaftigen St. Franciscus[2], bij de hervorming van de Orde van Carmel stond weder naast de H. Teresia misschien wel de meest echte zoon van den Arme van Assisi, de H. Petrus van Alcantara, om haar als een andere Franciscus te leeren, wanneer de armoede op haar schoonst is, zoo schoon, dat een ridder als Franciscus haar als zijn bruid beminnen kan. Het is een armoede, die voor de wereld dwaasheid is. De liefde tot de armoede, de liefde tot het kruis heeft in St. Franciscus dit geheel eigen kenmerk. Slechts weinigen hebben den moed, ze met dit kenmerk te beoefenen, het kruis in dien vorm te omhelzen.

Ik had als titel boven dit artikeltje misschien beter gezet: ‘de Dwaas’, of zooals Franciscus eens zichzelf noemde met de taal der wereld: ‘de Idioot’.

De kracht van St. Franciscus ligt in zijn breken met de wereld op een wijze, dat deze hem krankzinnig noemt, voor een idioot aanziet, gek beschouwt, in één woord in zijn zoo scherp mogelijk contrast met de wereld uit liefde tot God.

Na uitgespot te zijn, na zich met walging te hebben afgewend, na stom te zijn geslagen van ergernis, na den afstand, den grooten afstand sterk gevoeld te hebben, moet de wereld tot erkenning komen van een andere voor haar geheel nieuwe wereld, niet zoo maar een beetje anders, maar geheel, geheel anders, een wereld, waarvan ze eerst niets begrijpt, maar bij eenig nadenken, door het opzienbarende gewekt, toch de heldhaftigheid, ja de superioriteit moet erkennen.

’t Is wel vreemd, maar de geschiedenis leert het telkens opnieuw: wie de wereld wil winnen voor hoogere idealen, moet den moed hebben, met haar in conflict te komen. Hij kust de hand, die haar slaat, de roede, die haar geeselt, zij bemint den spot, waarmee haar zwakheid wordt gehoond en loopt tenslotte na, wie den moed heeft ondanks haar te doen, waartoe haar de moed ontbrak.

Maar dat conflict met de wereld is hard. Christus heeft het aan het kruis doen sterven. Franciscus sloeg het evangelie open om te leeren, hoe hij op zijn beurt, door Christus geleid en gesterkt, dien strijd met de wereld moest aanbinden.

De drie Schriftuurplaatsen, welke hij met zijn beide eerste gezellen Bernard van Quintavalle en Petrus Catanii, in een evangelieboek opsloeg om ze tot regel voor hun instelling te maken, luidden: 1e Wilt gij volmaakt zijn, ga en verkoopt al wat gij bezit en geef het den armen en gij zult een schat in den Hemel bezitten. Kom dan en volg mij. 2e Neem op uw weg niets mede, staf noch reiszak, brood noch geld en heb zelfs geen dubbel kleed. 3e Wie mij wil navolgen, verloochene zichzelven, neme zijn kruis op en volge mij.

Met dien drievoudigen wapenspreuk voerde van toen af de Kruisridder Franciscus de zijnen aan. De strijd- en riddergedachte leefde daarbij steeds in hem voort. Het bleek uit zijn woord, waarmee hij acht dagen later Broeder Aegidius onder de zijnen opnam: “Wat moet gij niet blij zijn, nu niet de keizer, maar de opperste Heer u tot Zijn ridder en dienaar heeft verkoren.”

Denzelfden Broeder Aegidius, later zijn trouwen gezel, noemde hij bij voorkeur zijn ridder van de tafelronde. Gaarne vergeleek hij een gehoorzamen broeder met een ridder op een snel en onkwetsbaar paard, die daarop den vijand weet te ontsnappen, en een ontevreden broeder met een ridder op een koppig en onbestuurbaar paard, die daarmee zeker den vijand in handen valt.

Het zou niet moeilijk zijn, nog meer woorden en daden aan te halen ten bewijs, hoe sterk in Sint Franciscus de riddergedachte leven bleef.

Een geliefkoosd beeld uit den riddertijd is voor zijn leven en dat zijner gezellen ook het rondtrekken van de troubadours, het spelen voor nar. Troubadour wilde hij zijn, den nar speelde hij niet zonder voorliefde, maar op zijn wijze. Hij zong van de liefde tot God, hij was de dwaas, de idioot, zooals hij zeide, aangestoken door de dwaasheid des kruises.

Met zijn eerste gezellen ging Franciscus op weg in verschillende richtingen om van stad tot stad, van burcht tot burcht, hun brood bedelend, de armoede, de boetvaardigheid, de liefde tot God te prediken, niet met woorden alleen, maar het meest met de daad.

Zij stierven niet van honger, zij zagen Assisi weer, maar hun tocht was één ontgoocheling. Men schold hen uit voor gekken, liet hen praten, als men nog naar hen luisterde, meestal spotte men met hen of sloeg de deur voor hen dicht. Erger werd het nog, toen er zich ondanks alles meer bij hem aansloten. Nu liepen in Assisi en omstreken overal van die bedelaars en werd, wat eerst de dwaasheid scheen van een enkeling, beschouwd als een aanstekelijke ziekte, die gevaarlijk kon worden. Geestelijkheid en magistraat begonnen moeilijkheden te maken tegen hetgeen zij als stichting van een gemeenschap een onbegonnen en onbezonnen werk achtten. De bisschop moest zijn houding bepalen. Hij vroeg hun daarvoor niets anders, dan of zij bereid waren tot de waarlijk heldhaftige offers welke zulk een leven van hen zou vragen. Hun antwoord luidde: zij stonden voor de gevolgen, zij zochten het kruis. God zorgde, dat, hoe zwaar het drukte, het niet te zwaar werd. Zwaar was het wel. Zij zochten smaad en verguizing. Ze werden hun vooral in den beginne in ruime mate toegemeten. Op hun tweede rondreis in de omstreken van Assisi schold men hen uit voor halve wilden, dwazen, volksbedriegers. Zij moesten vaak buiten of in portalen overnachten. Dikwijls duldde men hen niet eens, waar zij een toevlucht zochten. Om met hun armoede te spotten, trok men hun zelfs op enkele plaatsen hun armelijke kleeding uit en liet hen naakt en voor dwaas staan, totdat iemand zich over hen ontfermde.

Zij verdroegen alles. Zij kregen wat zij zochten.

Franciscus’ liefde tot ’t kruis was zelfs nog lang niet verzadigd. Christus was eraan gestorven. Hij leefde nog. In Assisi en Italië kon hij armoede lijden, strenger boete doen, smaad en vervolging ondergaan, den dood aan het kruis zou hij er niet vinden. Ook groeide in hem de apostolische geest. Met zijn gezellen toog hij naar Rome om goedkeuring van zijn leefregel en om apostolische zending. De martelaarskroon lachte hem reeds tegen. De Paus gaf, wat hij verlangde. Zijn leefregel werd goedgekeurd, verlof tot zedekundige preeken, boetepreeken, werd hem en den zijnen verleend. Na deze pauselijke bekrachtiging vond hun optreden meer erkenning. Maar het ontbrak daarbij noch aan smaad en verguizing noch aan honger en ontbering. Meer dan eens waren broeders niet slechts ziek van de ontbering, maar zelfs den dood nabij. Hun boetvaardigheid putte hen nog meer uit. Daarbij kwam nog vaak het zwaarste handwerk, dat zij aanpakten, waar zij de gelegenheid vonden. Zij hielpen in de ziekenhuizen en op het veld, vlochten matten en korven, droegen lasten of oefenden een ambacht uit. Franciscus stond daar zóó op, dat hij een zijner eerste broeders, die traag in den arbeid was, wegzond. Veel tijd ging echter ook heen met bidden en prediken, met bedelen en goede gesprekken. Men hoede zich intusschen voor de voorstelling, dat Franciscus en zijn eerste broeders gebukt gingen onder den zwaren last, dien zij op zich hadden geladen. Zooals hij zelf jubelend het woud introk, toen hij alles kwijt was, zoo wilde hij ook blijheid in het offer en een liefde tot het kruis, die bij het ontvangen daarvan jubelen doet. Eens hoorde hij een broeder, die in Assisi had gebedeld en met een zwaren last op zijn rug naar huis kwam, luid zingen en godvruchtige liederen jubelen. Hij liep hem tegemoet, nam hem den zak van den schouder en kuste den schouder, die hem tot daartoe gedragen had. Tot de anderen zeide hij: “Zoo wil ik, dat mijn broeders uitgaan en terugkeeren met hun aalmoezen, opgewekt en blij en God verheerlijkend.”

Het aantal broeders nam na de eerste moeilijke jaren van verguizing zeer sterk toe. Men kende hen nu en Franciscus’ naam werd op vele plaatsen met eerbied uitgesproken. Bernard van Quintavalle, dien we reeds noemden als een zijner eerste gezellen, achtte zich na korten tijd verplicht, Franciscus te vragen, hem terug te roepen uit Bologna, waarheen hij hem had gezonden, omdat hij er na de eerste bespotting in al te hoog aanzien geraakte.

Zoo ging het op vele plaatsen. Eenerzijds verheugde Franciscus zich hierover, maar hij zag er ook een gevaar in. Vervolging en smaad verdienen achtte hij iets zoo noodzakelijks, dat hij zonder deze zijn Heiland niet meende na te volgen. De eer, hem en zijn broeders in Italië gebracht, deed hem uitzien naar andere streken, waar vervolging, ja, de dood zijn zucht naar lijden scheen te zullen bevredigen.

Reeds in 1212 wilde hij naar de Saracenen in Syrië, maar het schip verloor den koers en bracht hem in Dalmatië, vanwaar hij naar Italië terugging om een nieuwe gelegenheid te vinden, die zich echter niet aanstonds aanbood.

Van dien tijd is Franciscus “op zoek naar het martelaarschap”, gelijk men het zoo juist heeft uitgedrukt. Nauwelijks terug in Italië, of hij trekt naar Marokko met een haast, dat zijn gezellen, die hij meenam, hem niet kunnen bijhouden. Ook deze poging faalt. In Spanje wordt hij ziek en moet hij terug keeren. Kan hij zelf niet naar de heidensche landen gaan – hij wordt hoe langer hoe meer lijdend en haast blind – dan moeten zijn broeders daarheen. In 1217 zendt hij een groot getal naar het Oosten. Zelf wil hij nu naar Frankrijk gaan, maar ook dit wordt verhinderd. In 1219 echter toen het Kapittel de broeders met tientallen in alle richtingen zond, niet slechts naar Duitschland, Hongarije, Frankrijk, Spanje en Portugal, maar ook naar Marokko en Tunis, kon Franciscus zijn weder opkomend verlangen naar den marteldood niet langer onder- [1630] drukken en maakte hij den broeders bekend, dat hij zelf naar de Saracenen zou gaan, naar Egypte. Daar waren toen, aan de monden van den Nijl, rondom Damiate, de kruisvaarders gelegerd. Reeds een jaar lagen zij daar zonder de stad te kunnen innemen. Bij elke bestorming moesten zij weer aftrekken, omdat de Sultan Malik el Kamil, die met een ander leger de stad poogde te ontzetten, de belegeraars in den rug bedreigde. Het voetvolk wilde toen den sultan zelve aanvallen in het open veld, hoezeer dit werd ontraden. Franciscus inmiddels aangekomen, wendde al zijn overredingskracht aan om de soldaten van zulk een veldslag te weerhouden en hen te doen luisteren naar het inzicht der bevelhebbers.

Men spotte met hem. Maar zijn aanzien steeg, toen de slag schandelijk werd verloren. De lange strijd deed den sultan vredesonderhandelingen aanknoopen. Terwijl deze werden gevoerd, ging Franciscus met een gezel naar den Sultan om hem het Christendom door woord en daad te prediken. Duchtte hem van den Sultan misschien zelf geen kwaad, er was alle reden te vreezen, dat beide gezellen nooit den Sultan zouden zien, maar door de woeste soldaten gegrepen en gedood zouden worden. Gevangen genomen, geschimpt en geslagen werden de twee weerloozen al spoedig, maar Franciscus beroep op den ‘Soldan’ deed hen voor dezen voeren. Hij ontving hen niet onvriendelijk, luisterde naar hen. Ook zijn omgeving geraakte onder den indruk van deze geheel ongewone verschijning en wel dermate, dat de Sultan Franciscus gelastte heen te gaan, nochtans met de woorden: “Bid voor mij, dat God zich gewaardige mij te doen zien, welk geloof Hem het meest welgevallig is.” Meer kon Franciscus niet bereiken. In het christenleger sloten zich weliswaar nog enkele edelen bij hem aan, maar daartegenover zag hij er, vooral bij de inname van Damiate, zooveel wreedheid, afgunst en tweedracht, dat hij begreep, hier een stem des roependen in de woestijn te zijn en naar Syrië ging om zijn broeders daar te bezoeken.

Hij had den dood gezocht, hij vond hier tijdingen, die meer moed en onderwerping van hem vroegen, dan de dood van hem zou hebben geëischt.

Wij denken hier aan zijn heerlijk gesprek met Broeder Leo op den weg van Perugia naar Portiuncula eenige jaren te voren; Franciscus roept Leo: “Broeder Leo, als de minderbroeders een treffend en stichtend voorbeeld van heiligheid geven, vergeet niet en schrijft op: dit is geen reden tot volmaakte vreugde.”

Beiden gaan verder. Na eenigen tijd zegt Franciscus: “Broeder Leo, als de minderbroeders blinden doen zien, jichtlijders genezen, duivelen uitdrijven, lammen doen gaan, dooven ’t gehoor en stommen de spraak hergeven en, wat nog meer zegt, dooden na vier dagen weder ten leven wekken, schrijf op: dit is geen reden tot volmaakte vreugde.”

Weer gaan beiden verder, tot Franciscus uitroept: “Broeder Leo, als een minderbroeder de talen aller volkeren verstaat, alle wetenschap bezit en alles weet, wat in alle boeken staat, als hij ook zou weten te voorspellen en de toekomst voorzag en in aller harten kon lezen, schrijf op: dit is geen reden tot volmaakte vreugde.”

Weer gaan beiden verder, tot Franciscus zegt: “Broeder Leo, schaapje van God, al sprak een minderbroeder de taal der engelen en kon hij verklaring geven van den loop der sterren, de krachten der kruiden, de verborgen schatten der aarde, de eigenschappen van vogels, van visschen, van dieren en menschen, van kruiden en boomen en wateren, vergeet niet en schrijf goed op: dit is geen reden tot volmaakte vreugde.”

Na eenige onderbreking vervolgde de Heilige: “Broeder Leo, al kon de minderbroeder zoo heerlijk prediken, dat hij alle ongeloovigen bekeerde tot het geloof, schrijf op: dit is geen reden tot volmaakte vreugde.”

“Maar Vader”, onderbrak hem nu Broeder Leo, “om Gods wil zeg, wat is dan een reden tot volmaakte vreugde?”

Nu zeide Franciscus: “Als wij straks aan St. Maria der Engelen zullen komen, doornat van den regen, verstijfd van de kou, met modder bespat, door honger gekweld en wij dan aan de kloosterdeur bellen en de portier boos voorkwam en ons zou toeroepen: “Wie zijt gij”, en wij hem antwoorden: “Wij zijn twee van uw broeders”, maar hij ons zou toevoegen: “landloopers zijt gij, die bij de armen nog hun aalmoezen komt weghalen” en hij ons niet zou opendoen, maar met het ingaan van den nacht buiten zou laten staan in sneeuw en regen, in koude en met honger, dan, als wij die beschimping en wegzending zonder morren of tegenspraak geduldig zouden verdragen en ootmoedig en liefdevol denken: die portier kent ons goed, God heeft hem die woorden tegen ons in den mond gelegd, dan, Broeder Leo, schrijf op: dan is dàt een reden tot volmaakte vreugde, en als wij nog eens zouden bellen en de portier kwam kwaad naar buiten en viel op ons aan als op inbrekers en sloeg ons in het gelaat en riep ons toe: “weg van hier, booswichten, gaat naar de herberg, wie zijt gij, hier is niets te eten”, en hij tenslotte een stok nam, ons bij ons habijt greep, op den grond wierp en schandelijk zou slaan, als wij dan ons Christus’ lijden herinnerend geduldig zouden blijven. O, Broeder, van alle genadegaven des H. Geestes is de schoonste, dat wij ons zelve vermogen te overwinnen en uit liefde tot God beschimpingen kunnen verdragen.”

Welk een ideaal van vreugde!

Overkwam Franciscus dit laatste nooit in letterlijken zin, in figuurlijken mocht hij eenzelfde gevoel hebben gehad, toen hij in Syrië hoorde, en bij zijn terugkeer in Italië zag, wat zijn broeders hadden gedaan. Hij voelde zich zoo teleurgesteld, dat hij te Bologna bij de Dominicanen zijn intrek nam en weigerde het huis te betreden, dat men daar bij de Universiteit als studiehuis voor zijn broeders had gebouwd. “Gij wilt mijn orde ten gronde richten”, voegde hij den stichter toe, die de orde een weldaad had meenen te bewijzen. Hij vergaf zijn broeders slechts op voorwaarde, dat allen het huis verlieten. Daarmede was echter de orde niet hersteld. Niet slechts te Bologna, eigenlijk overal botste de noodzakelijk geworden organisatie der duizenden volgelingen met de vrije zonder eenige organisatie opgezette individueele navolging van Christus, door Franciscus gepredikt. Franciscus had een grondslag gelegd, een zeer breeden en hechten: toen daarop een gebouw verrees, door den drang der samenleving moest verrijzen, vreesde hij, dat men den grondslag zou verlaten, zou overzien.

Het was wel een harde slag voor Franciscus, dat hij groot zag worden, wat hij niet anders lief had dan nietig en klein, dat hij een gebouw zag oprijzen, terwijl hij slechts oog had voor de fundamenten, dat hij een oogst zag rijpen, terwijl hij nog aan niets anders dacht dan aan het omploegen van den akker. Toch was het de natuurlijke vrucht van het zaad, dat hij had uitgestrooid en dat welig was opgekomen. Was Franciscus dan zoo bekrompen van geest, zoo klein van opvatting? Wel alles behalve. Maar hij was geroepen om den grondslag te leggen voor het grootsche paleis van zijn jongelingsdroom, het gebied af te bakenen, waar zijn geest zou regeeren, het is heerlijk te zien, hoe hij daartoe zijn werk kon bepalen, als ’t ware niet verder wilde gaan. Het teekent den volgeling van den Gekruiste en doet hem stralen in te helderder licht, dat hij voor zijn dood het bestuur over zijn orde uit handen moest geven, door zijn broeders niet meer begrepen scheen en toch misschien nooit meer invloed op hen en heel de maatschappij heeft uitgeoefend, dan toen hij ook dit verdroeg met de volledigste onderwerping.

Hij zou gehoorzaam zijn tot aan den dood des kruises. En het was geen gehoorzaamheid uit dwang, neen, uit volle overtuiging en blijde klonken de woorden: “van nu af aan ben ik dood voor u, maar hier hebt ge Petrus Catanii, Hem willen wij allen gehoorzamen”. Op diens last schreef hij een regel, wat hij vroeger nooit had willen doen. Door zijn gehoorzaamheid is hij de volledige stichter der orde geworden. Zonder dien dood aan het kruis der gehoorzaamheid was het groote werk door hem niet voltooid. God heeft hem daarin zoo sterk beproefd, dat hij hem door de gehoorzaamheid in den regel deed opnemen, wat hij in persoonlijke openbaring anders van God meende te hebben gehoord. Dat hem dit zwaar viel, dat hem dit innerlijk verschrikkelijk heeft doen lijden, spreekt wel vanzelf. Het moet hem de woorden op de lippen hebben gebracht, door Christus op het kruis gesproken: “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten”. Franciscus zou geen heilige zijn, als hij de gehoorzaamheid niet had gesteld boven de persoonlijke openbaring, maar men mag het niet met de heiligheid in strijd achten, dat hij zijn trouwen Broeder Leo zeide: “dat het hem zwaar viel en bedroefde, dat in punten, door hem na vele gebeden en overwegingen van Gods goedheid ontvangen tot heil der geheele gemeenschap zoowel voor het oogenblik als in de toekomst en waaromtrent hij zeker was, dat zij overeenkomstig Gods wil, eenige broeders, vertrouwend op hun wijsheid en onjuiste vooruitziendheid, anders bleven oordelen dan hij, die punten liet vervallen en van dit zeiden, dat het te behouden en te onderhouden was, van dat niet.”

Zulke woorden teekenen wel, hoe zwaar Franciscus leed en doen ons hem te meer bewonderen om zijn ootmoedige onderwerping. Die onderwerping, zoo heldhaftig, deed de geestdrift voor den stichter nog eens en nog feller oplaaien in de harten zoowel van zijn broeders als van geestelijkheid en volk. Nu was hij zeker een heilige. De kruisridder had nu den ridderslag verdiend.

Ik behoef niet te herhalen, hoe God zelven zijn dienaar teekende met Zijn kruis.

Het tafereel op Alverna is te bekend.

Hij was nu het levende beeld van den Gekruiste. Hij zal het altijd blijven, het is zijn grootste roem. Niet slechts in de kunst heeft zijn godsvrucht tot het kruis des Heeren het rijke byzntijnsche doen plaats maken voor het meer reëele, naakte kruisbeeld, het beeld van den gekruisden Jezus heeft hij weer voor ons doen leven. Hij roept ons toe, dat ook wij het moeten uitdrukken in ons leven, zooals hij het deed in het zijne. Is in ons de weerspiegeling niet zoo helder als in hem, trachten wij ons te verdiepen in zijn geest van onthechting aan de wereld, dan zal ook ons oog klaar en ook ons lichaam helder worden ter weerspiegeling, althans flauw van hetgeen toch ook onze hoogste luister en glorie is.

Franciscus, strek uw armen uit, laat ons uw wonden zien, de teekenen van uw strijd als ridder van het kruis en sla ook ons tot kruisridder.

 


  1. Published in: De Nieuwe Eeuw, 23 September 1926, pp. 1628-1630 [Commemorative edition to mark the start of the jubilee year for Saint Francis] (See also NCI OP 29.23). ↑
  2. In the publication erroneously ‘van St. Franciscus’. ↑

 

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026