Article
1937
De arm van St. Stephanus
door Prof. Dr. Titus Brandsma, O.Carm.
De groote collegiale kerk van St. Stephanus te Nijmegen bewaarde vóór de Hervorming als een harer kostbaarste schatten een groote reliek van haar Patroon, zijn opperarmbeen. Het was een symbool van de bescherming door zijn zegenende hand.
Rijk in zilver gevat werd deze arm ter vereering uitgesteld, in de groote Omdrachten meegedragen, met groote Godsvrucht door de Nijmegenaren vereerd.
In een brief uit het jaar 1593 getuigen de Deken van Nijmegen Willem van Ryswick en Kanunnik Theodorus of Theodoricus Bruyst van deze vereering en zij zien in die eeuwenoude hulde door het volk van Nijmegen gebracht voor zichzelve den plicht voor die vereering te strijden en die in stand te houden. Wat zoo lang en zoo innig door het geloovig volk van Nijmegen in zoo hooge eere is gehouden mag om den rampspoed der tijden niet van verdere vereering verstoken blijven.
Nu zij niet meer voor het huis Gods hun toevertrouwd noch voor hetgeen zij voor hun levensonderhoud bezaten konden strijden, voelden zij zich te meer verplicht te strijden voor de eer aan deze panden van godsvrucht verschuldigd. En zij deden dit vooral in het rampjaar 1591 toen de gruwel van den opstand hun geen leed bespaarde, de kerken werden ontheiligd en ontnomen en alwat er heilig en kostbaar was werd geroofd of vernield, de eeredienst werd hervormd en het wettig gezag onder spot en hoon afgezet en uit de stad verdreven. De geestelijkheid en de beteren des volks werden voor de keus gesteld de stad te verlaten of den nieuwen eeredienst te volgen. Wie er de jaren en de middelen toe bezat te vluchten, week uit vooral naar het naburige nog katholieke Cranenburg in het vrije land van Kleef. Daarheen vluchtten o.a. ook een der schepenen der stad Cornelius de Jeger, de Deken zelf en genoemde Kanunnik Bruyst. Naar deze zoo dichtbij gelegen stad brachten beide laatsten ook een aantal relieken. De schrijnen waarin deze waren vervat, moesten zij, wilden zij de relieken zelve redden, wel achterlaten.
Onder deze relieken nam de arm van den H. Stephanus een eerste plaats in. Bij hun vlucht uit de stad en het in veiligheid brengen van verschillende kostbaarheden ondervonden de katholieke Nijmegenaren een buitengewoon welwillende tegemoetkoming in den edelman Joannes van Horst, maarschalk of stadhouder van het land van Kleef, hertogelijk raadsheer en door den hertog met het bevel over de vesting of burcht belast. Hij maakte het den vluchtelingen zoo aangenaam mogelijk en benoemde zelfs den schepen Cornelius de Jeger tot zijn plaatsvervanger, opdat hij in zijn naam voor de vluchtelingen zou kunnen doen, wat mogelijk was.
Tegelijk beijverde hij zich aan de meegebrachte heiligdommen de daaraan verschuldigde eer te doen toekomen. Door die buitengewone welwillendheid voelden de Deken en de genoemde kanunnik Bruyst zich gedrongen, den maarschalk een der schoonste relieken af te staan, niet slechts om daardoor aan zijn godsvrucht een hoog gewaardeerde voldoening te schenken, maar ook om aan dezen schat de daaraan verschuldigde eer te waarborgen. Zij willen daarmede geen roof plegen aan hun collegiale kerk, maar zien in deze overgave de bevordering van hoogere belangen, omdat daardoor aan deze reliek weder de eer kan worden geschonken, welke haar toekomt. Daarom geven zij genoemden Maarschalk de eerbiedwaardige reliek van den arm van den H. Stephanus, sinds menschenheugenis als zoodanig vereerd, door een oude inscriptie als zoodanig aangewezen en gedurende het jaar op de Hoogfeesten rijk in zilver gevat tentoongesteld en rondgedragen.
Van deze schenking werd 1 Augustus 1593 een plechtige akte opgemaakt in tegenwoordigheid van genoemden Deken Willem van Ryswick en Kanunnik Theodorus of Theodoricus Bruyst en genoemden Schepen Cornelius de Jeger en met het zegel der collegiale kerk van Sint Stephanus te Nijmegen bekrachtigd.
Een afschrift van deze akte werd in het jaar 1879 door Pater A. van Lommel S.J. uit Vol. XXI van de Handschriften der Paters Bollandisten te Brussel gepubliceerd in dl. VII van het Archief van het Aartsbisdom Utrecht, blz. 9200.
De toenmalige Deken van Nijmegen en zijn mede-Kanunnik mogen in 1593 gemeend hebben door deze overgave van de kostbare relikwie de vereering daarvan te hebben gewaarborgd en den besten weg daarvoor te hebben gekozen, hun verwachting is wel bitter teleurgesteld. Het is voor ons moeilijk hun gedrag te beoordeelen, de tijden waren uiterst donker en somber en veel hoop, naar hun collegiale kerk te Nijmegen terug te keeren, zullen zij zeker niet hebben gehad, maar het doet ons toch wel zwak aan, dat zij zelfs geen clausule in hun akte opnamen om bij onverwacht gunstiger tijden de toch voor kerk en stad zoo waardevolle reliek weder terug te ontvangen.
Het strekt hun tot eer, dat zij tenminste de reliek aan schennis en onteering hebben onttrokken en uit de handen der beeldenstormers en plunderaars hebben gered. Ook strekt het hun tot eere, dat zij de relieken hooger hebben gesteld dan het goud en zilver, waarin zij waren gevat. Maar het is jammer, dat hun poging de vereering van de reliek te waarborgen, naar allen schijn heeft gefaald. Na het jaar 1593 blijven wij van alle verdere mededeelingen over de reliek verstoken. In Cranenburg is zij niet meer. Of zij elders wordt vereerd, moge nog een vraag blijven, een bevestigend antwoord op die vraag is nauwelijks waarschijnlijk. In Emmerik, waarheen later zeer veel relieken uit de Nederlanden en ook uit het land van Kleef zijn overgebracht, wordt wel een armreliek in een zilveren arm vervat, in de St. Martinuskerk vereerd, maar een onderzoek heeft uitgewezen, dat deze reliek is van den arm van dien anderen grooten Diaken Sint Laurentius.
Zoo staan wij thans voor het teleurstellend feit, dat zeer waarschijnlijk deze kostbare reliek verloren is gegaan. Maar moge dit onderpand van zegening verloren zijn, niet verloren ging Nijmegen’s vereering van zijn H. Patroon, welke toch zeker voor de stad de beste waarborg is voor zijn bescherming.
Zijn arm is niet verkort.
Zijn macht is niet gebroken.
Kan niet het stoffelijk gebeente van zijn arm op zijn vereerders rusten, hij strekt niet minder zeker zijn beschermende arm uit over de stad, die hem vereert en zich buigt onder zijn zegenende en beschermende armen.
Het is naar allen schijn de linkerarm geweest, die te Nijmegen werd vereerd, de rechter zou bij de overbrenging van zijn relieken naar Rome onder Paus Pelagius I (556–561) aan de stad Capua zijn geschonken. De linkerarm is als aangewezen, terwijl de rechter zegent, beschermend te rusten op den persoon die wordt gezegend. Buigen wij in den geest onzer voorvaderen in deze stad het hoofd onder de beschermende arm van den H. Diaken om aldus zijn zegening te ontvangen.
De vereering der Heiligen doet ons inniger leven in dezer gemeenschap en die gemeenschap der Heiligen verbindt ons inniger met elkaar en met het hoofd van dit mystieke Lichaam, onzen Koning Christus.
- Published in: De Gelderlander, 11 December 1937, p. 22 (See also NCI OP30.49) on the occasion of the 19th Century Festival of the martyr Saint Stephan, patron saint of Nijmegen. ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026