1935
Festive speech
Bij het Eeuwfeest der Zusters Ursulinen
Er is toch nog altijd veel moois in de wereld.
Het is wel donker om ons heen en de donkerte benauwt ons wel eens, maar in een donkeren nacht genieten we toch ook weer van heerlijkheden, welke bij helder daglicht aan ons oog onttrokken zijn.
Van betooverende bekoorlijkheid is de sterrenwereld.
Als we uitgaan in de steeds dikker wordende duisternis, dan rijst ster na ster voor ons op.
Wat in het stralende blauw niet te zien was, pinkt uit het zwarte zwerk en boeit er ons oog.
Allerlei grillige figuren vormen ze, die duizenden zichtbare sterren en het is geen wonder, dat de schouwende mensch in die levende fonkelende stippen beelden van levende menschen en dieren is gaan zien of van voorwerpen in hun leven gebruikt.
En al die sterrenbeelden cirkelen om een middelpunt.
Men kan die sterren niet lang bezien, of men wordt er door naar dat middelpunt getrokken om in een wonder eenheidsbeeld die rijke verscheidenheid, die tallooze veelheid nog meer te bewonderen en te genieten.
De Profeet Elias werd in een wagen van vuur ten Hemel gevoerd.
Maar worden wij het niet eveneens, als wij de sterren ziende worden omhoog gedreven naar God, die ze schiep en in zoo heerlijke orde over het uitspansel verdeelde, neen, uitstrooide.
Gouden wagens zijn die sterren, die ons naar den Hemel rijden en God doen loven in de schittering zijner alwijze Voorzienigheid.
Wat in een donkeren nacht de sterren zijn, zijn in de duistere tijden, die de wereld doormaakt, de heiligen, die schitteren als sterren boven den donkeren horizon. Van hen, die velen hebben onderwezen in de wegen der gerechtigheid, zegt de H. Schrift het zeer in het bijzonder, dat zij als sterren zijn.
En als wij dan heden staan bij het eeuwfeest van een groote Heilige, die voor vierhonderd jaar een Orde stichtte met als voornaamste doel, velen de wegen der gerechtigheid te wijzen, dan komt ons onwillekeurig het beeld der sterren voor den geest.
Van haar mag gezegd worden, dat zij in de donkere tijden, [2] welke wij beleven, schittert als een lichtende ster met de velen, die haar omringen en volgen.
Zij staat niet aan onzen donkeren hemel als een enkele ster.
Met de sterren om haar heen is zij een der schitterendste beelden, die wij nu aan den somberen hemel zien staan.
Als de H. Angela de Merici met hare Zusters, de Ursulinen, velen leiden op de wegen der gerechtigheid, voor vele zielen de wagen zijn, die haar naar den Hemel rijdt, dan ligt in dat beeld bovendien een merkwaardige woordspeling.
Geen sterrenbeeld wijst duidelijker het middelpunt van alle sterrebanen aan dan de Gouden wagen, die in astronomische taal de Ursus major of minor wordt genoemd. Voor de bepaling van de poolster leerde men ons in onze jeugd reeds, naar den Grooten of Kleinen Beer te zien. Dat is voor mij altijd de groote beteekenis van deze twee sterrenbeelden geweest, dat zij mij de poolster wezen, het middelpunt der sterrencirkels.
En als ik nu in dezen donkeren tijd de Ursulinen zie in de schittering van dit eeuwfeest, als sterren, omdat zij zoovelen onderwezen in de wegen der gerechtigheid, dan is haar eerste glorie voor mij ook, dat zij bij dat onderricht allereerst leiden naar God en het meisje haar toevertrouwd steeds het oog naar God gericht doen houden.
Wij zijn in ons land gewoon, het sterrenbeeld van den Grooten Beer den Gouden Wagen te noemen. En wel mogen wij op dezen dag dezen naam overnemen voor de Zusters, die aan de H. Ursula haar naam ontleenend, de functie van dit Sterrenbeeld voor de zielen op zich nemend, inderdaad een wagen zijn, welker wielen, in de schittering der liefde als van vuur, velen in stijgende lijnen omhoog voeren naar God.
Dit is het eerste, het groote in het werk der H. Angela, in het werk van hare Zusters de Ursulinen, dat zij op de eerste plaats aan onderricht en opvoeding de strekking hebben willen geven van te leiden naar God.
Dat moet ons, Katholieken van Nederland, in deze Orde wel als een schitterende glans en glorie tegenstralen, die er tientallen jaren, drie kwart eeuw voor gevochten hebben om die strekking in ons onderwijs te krijgen en te bewaren. Van de eerste ure, dat de strijd voor het Katholieke onderwijs acuut werd en offers, groote offers vroeg en van het [3] Nederlandsche volk gekregen heeft, waren de Ursulinen mede in de voorste gelederen. Uit dien tijd dagteekent haar meer uitgebreide werkzaamheid in de Nederlanden.
Nu wij in het rustig, haast onbetwist bezit zijn van onze vrije Katholieke scholen, nu denken wij er haast niet meer aan – de meesten weten er ook niet meer van – wat het gekost heeft te komen daar, waar we nu zijn. Maar daarom is het des te meer plicht er bij gelegenheden als dit eeuwfeest nog weder dankbaar op te wijzen, wat de religieuzen hebben geofferd om ons onderwijs katholiek te maken.
Ik breng hier gaarne hulde aan de duizenden mannen en vrouwen, leeken, vaders en moeders, die dag in dag uit, week in week uit groote offers hebben gebracht om aan hun kinderen Katholiek onderwijs te laten geven, offers van geld niet alleen, maar offers ook van ingaan tegen vooroordeel en verkeerd begrepen verdraagzaamheid. Ik bewonder dezer stoere geloofskracht, die vol deed houden tot dit onderwijs voor allen was verzekerd. Ik bewonder de vele onderwijzers en onderwijzeressen, die voor een bespottelijk salaris van enkele honderden guldens een levenlang in de Katholieke school zijn blijven staan. Nederland heeft er in die moeilijke jaren velen zoo gehad en zij bewijzen wat een kracht in het Katholieke volk school.
Maar hoe groot die kracht was, hoe talrijk degenen zijn geweest, die zich voor dit ideaal hebben opgeofferd, het leven heeft nu eenmaal zijn eischen en hoe gaarne velen zich aan dit ideaal wijdden, het was in vele streken onmogelijk, te leven van hetgeen daar voor het onderwijs kon worden samengebracht.
Maar wat men als eenling in de wereld niet kon, niet mocht als vader van een gezin, dat begreep men te kunnen in vereeniging, in een Orde of congregatie met veel beperkter levenseischen, in innige samenwerking, geleid door nog hoogeren offerzin.
De Orden en Congregaties stelden zich in dienst van het Katholiek onderwijs en meisjes en jongens bij honderden, neen, duizenden, traden daar in om zoo het Katholiek onderwijs te dienen en mogelijk te maken.
Verdienden de onderwijzers en onderwijzeressen in de wereld levend, in de Katholieke school al heel weinig, waar dat weinige niet kon worden betaald, voor een paar honderd gulden in het jaar werd dit onderwijs nu door religieuzen gegeven. [4] Daarin lag meer dan alleen geldelijk gewin.
Leden en streden de leeken-onderwijzers en onderwijzeressen zeer zeker voor het ideaal van het Katholiek onderwijs, door hun leven in de wereld was, gelijk Sint Paulus het zegt, hun liefde verdeeld. Zij leden en streden niet alleen voor het onderwijs, maar ook voor hun vrouw en kinderen. Nu kwam er een phalanx van meisjes en jongens, die zich geheel voor dit onderwijs gaven, van huwelijk en menig andere bevrediging der natuur afzagen om in een ongehuwden staat, in een kloosterlijke gemeenschap vrijer te staan en zich geheel te kunnen geven aan het ideaal van het onderwijs in Katholieken zin.
Vaders en moeders, hier aanwezig, gij weet en ervaart het, dat in de opvoeding niets meer gevraagd wordt dan liefde en offervaardigheid, dat de liefde vindingrijker is met betrekking tot den weg, die in de opvoeding moet worden bewandeld, dan alle systeem en wetenschap, dat het daar allereerst op aan komt en dus de algeheele toewijding van meisjes en jongens aan de taak van het onderwijs, een toewijding, die van dat onderwijs een roeping maakt voor God te beleven als een dienst voor het leven met heel zijn persoon en uit al zijn kracht, wel het hoogste moet genoemd worden, dat we in een opvoeder kunnen wenschen en verlangen.
Zeer zeker, ook religieuzen zijn menschen en de menschkundige Thomas van Kempen, die jaren novicenmeester was, zegt het open, dat het veel is in een religieus, als hij zijn eersten ijver bewaart. Maar alles in hun leven werkt er toch aan mede, dat de roeping blijft beleefd. Bovendien leven zij in een georganiseerde gemeenschap, waar de een niet alleen de anderen versterkt en bevestigt, maar voor de leiding ook gekozen worden, van wie de anderen weten, dat bij hen de eigen beleving zoowel als de handhaving er van in de anderen veilig is.
Zoo staat in de worsteling om het vrije onderwijs de religieuze Orde of Congregatie wel op een zeer ver vooruitgeschoven stelling, zwaar gewapend en wel beschut. En mede aan dezer trouw op hun post staan en blijven is het te danken, niet slechts, dat we onze vrije scholen hebben, maar dat ze ook staan op het peil, waarop zij staan en erkend worden te staan. [5]
Toch wil ik er voor waarschuwen, dat men de religieuze Orden van den boom van het Katholiek onderwijs ziet als den wortel, waaruit dit opgroeit en waardoor het wordt gevoed en zijn eigenlijke levenssappen krijgt. Ik zie ze veelmeer als de bloem, die er de pracht en de heerlijkheid van doet stralen, de wortelen en de stam liggen in het volk, waaruit de religieuzen voortkomen.
De geschiedenis van Kerk en cultuur wijzen uit, dat niet op de eerste plaats de priesters en religieuzen, zelfs de heiligen niet de tijden maken, maar veeleer te beschouwen zijn als openbaringen van de groeiende en bloeiende volkskracht.
Zij zijn de bekroning van een stijgende cultuur, van een bij het volk ingetreden bezinning en verdieping. Men zegt wel eens dat het volk de priesters heeft welke het verdient en daarin ligt een diepe waarheid. De tallooze roepingen tot het kloosterleven, tot het priesterschap, tot de werken van liefde en missie zijn voor heel de wereld het sterke bewijs, niet alleen dat er dus velen zijn, die door deze idealen worden gegrepen, maar dat er bij het Nederlandsche volk, in de Nederlandsche huisgezinnen hooge waardeering is van deze idealen.
Het is funest, de religieuzen te stellen tegenover de leeken, ze als een afzonderlijk deel der bevolking te laten beschouwen, ze zijn er uit voortgekomen, ze zijn er de bloem van, die aanstonds verwelkt, als ze afgesneden worden van den stengel, waaruit zij voortsproten, waardoor zij nog altijd de levenssappen ontvangen.
Het is al meermalen gezegd, en deze uitspraak heeft weerklank en bevestiging gevonden tot in den mond van Z.H. den Paus, dat niet het aantal priesters en kloosterlingen, niet het aantal Missie-bisschoppen en Missionarissen Neerlands roem uitmaken, maar dat dezen een zijn met het Nederlandsche Katholieke volk, dat hen heeft voortgebracht en zich met hen en door hen aan de nastreving hunner idealen gebonden weet. Laten zij een voorhoede zijn, dezer kracht ligt in haar gedekt zijn door een sterke en onoverwinnelijke achterhoede, waaruit de voorste gelederen steeds weer opnieuw worden aangevuld met de beste krachten.
Als we dan ook heden feest vieren in dit milieu, in een der scholen van de Zusters Ursulinen, dan vieren we dat feest niet slechts om te deelen in het feest van een ander, voor wie we sympathie gevoelen, eerbied hebben of welke andere gevoelens ook, welke tot meeviering van een feest kunnen leiden, neen, dan vieren wij dat feest als ons eigen, als een feest, [6] van het Katholiek onderwijs in ons vaderland. Haar scholen zijn onze scholen, deze Zusters zijn onze Zusters, met wie we ons vereenigd, ja, een gevoelen, met wie en door wie wij voelen te strijden voor ons gemeenschappelijk ideaal, Katholiek onderwijs, zoo goed mogelijk, voor onze anders Zusters, de jonge meisjes, die telken jare weer het brood der ontwikkeling vragen en aan wie we geen steenen voor brood willen gegeven zien.
Dit feest is niet een glorie alleen voor de Orde der Ursulinen, het is een glorie voor ons allen, voor de stad en haar bewoners, voor de Vaders en Moeders van de kinderen, die hier kwamen en komen en komen zullen, van de geheele Katholieke gemeenschap, wier leden afgezien van het feit, of zij zelve de onmiddellijke verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding van een meisje, voor de Katholieke meisjes, die een opleiding behoeven als hier gegeven wordt, deze in Katholieken zin gegeven en met de grootste liefde en offervaardigheid gegeven wenschen te zien.
Toen vierhonderd jaar geleden de H. Angela te Brescia de eerste kleine schare Ursulinen om zich vergaderde en uitzond voor allerlei werken van liefde maar vooral om het meisje, dat onverzorgd was, te helpen en te leiden, bijeen te brengen voor allerlei onderricht, het op te voeden, hield zij hare volgsters niet samen in haar huis, zij liet ze slechts nu en dan samenkomen voor gezamelijke geestelijke oefeningen, om ze toe te spreken en haar leiding te geven, om onderling het werk te bespreken en voor te bereiden, maar dan ging ieder weer naar zijn huis, naar het maatschappelijk milieu, waarin zij waren opgegroeid en leefden. Zoo sterk zag de Heilige het bestaan en de werking harer ‘Compagnia’ midden in het maatschappelijk leven en hare Zusters als leden levend en werkend niet slechts voor de Christelijke samenleving, maar ook daarin en als een stuk daarvan.
Zoo iets was in dien tijd nog mogelijk. Eerst later heeft het Concilie van Trente in haar Hervormingsarbeid ter voorkoming van misbruiken en ter veiliger bewaring van de oorspronkelijke roeping een dergelijk leven in de wereld niet meer toegelaten en gewild, dat zij samen zouden leven in kloosterverband, onderworpen aan de strenge bepalingen der clausuur of van het Slot.
De groote Kardinaal van Milaan, de H. Carolus Borromaeus, die op zoo energieke wijze de bepalingen van het Concilie van Trente in Italië, meer bijzonder in het Noorden, heeft ingevoerd en doen onderhouden, is ook hier weer de sterke man ge- [7] weest, met wiens hulp de Ursulinen een stichting kregen te Milaan in overeenstemming met de nieuwe bepalingen. In 1566 riep hij 12 Zusters van Brescia naar Milaan en in 1572 hervormde hij dezen tot een nieuwe Compagnia di Santa Ursula onder zijn bisschoppelijk gezag levend in een klooster. Hij deed dit allerminst om het oorspronkelijk Instituut te vervormen, doch slechts om het niet alleen in den geest van de H. Angela, maar volgens haar uitdrukkelijken wensch en verlangen aan te passen aan de nieuw geschapen toestanden. “Wanneer volgens tijden of behoeften nieuwe bepalingen gemaakt of bestaande gewijzigd moeten worden, doet het” luidde een harer meest dringende laatste bevelen.
De H. Carolus Borromaeus is als de tweede stichter der Ursulinen opgetreden. De groote invloed van den Kardinaal deed niet alleen in zijn eigen vrij groot aartsbisdom maar ook in de hem onderhoorige bisdommen alsook in de bisdommen, over welke hij als visitator werd aangesteld, een heele rij Ursulinenkloosters verrijzen. Haar aanpassing aan de nieuwe omstandigheden maakte haar bij uitstek geschikt om in zijn hervormingswerk een plaats van bijzondere beteekenis te doen innemen. Zij waren zijn Zusters en zeer veel hebben de Ursulinen door de door hem opgelegde aanpassing en de daaruit volgende verspreiding aan den Heiligen Carolus te danken.
Die opsluiting in een klooster had dus niet tot strekking haar buiten de maatschappij te plaatsen, integendeel, om haar haar maatschappelijk werk des te veiliger en met nog grooter waarborgen voor haar roeping te doen vervullen.
Vervulden oorspronkelijk de Ursulinen allerlei werken van liefde, de Voorzienigheid maakte, dat haar liefdewerk steeds meer geleid werd in de richting van het onderwijs. Maar ook dit wijzigde allerminst de eerste instelling en roeping tot werken van liefde. Het was een nieuw zich voegen naar den wensch der H. Stichteres, dat zij zich steeds moesten richten naar de behoeften van tijden en plaatsen. Naast de Ursulinen namen geleidelijk zooveel andere Congregaties allerlei vormen van liefdewerk op zich, dat zij zich zonder schade voor de Kerk op het onderwijs konden toeleggen en omdat zij daarin zulke schitterende resultaten bereikten, haar werkzaamheid op dit gebied bijzonder werd gewaardeerd, werden zij voor dit doel meer in het bijzonder gevraagd. [8]
God beschikte het, dat Soeurs de la Doctrine Chretienne te l’Isle sur Sorgue bij Avignon haar levenswijze en Constituties overnamen en dezer instelling zich snel verspreidde over Frankrijk, vandaar naar Belgie en vandaar naar Nederland werd overgeplant. Zooveel kloosters kregen zij in Frankrijk, dat deze kloosters in afdeelingen of Congregaties gegroepeerd werden en aan een dezer Congregaties, die van Parijs in 1612 het privilege verkreeg, de hoogste Pauselijke goedkeuring te ontvangen en tot Orde te worden verheven met alle rechten en voorrechten daaraan verbonden, zooals plechtige Geloften, Pauselijk Slot enz. Geleidelijk werd dit privilege tot andere Congregaties uitgestrekt en zoo spreken we ook hier in Nederland van de Orde der Ursulinen.
In 1645 kwamen vanuit Luik de eerste Ursulinen naar Nederland, maar de eigenlijke uitbreiding der Ursulinen over ons land ligt toch betrekkelijk laat en dagteekent uit de dertiger jaren der vorige eeuw, zoodat we bij dit vierhonderdjarig feest, van een ongeveer honderdjarig bloeiend bestaan de[r] Orde in Nederland kunnen spreken. In 1838 werd Venray begonnen, in 1843 door Sittard gevolgd, in 1845 kwam Uden, in 1849 Eijsden, in 1850 Maastricht, in 1853 Roermond, in hetzelfde jaar Posterholt, in 1858 Grubbenvorst in 1859 Kerkrade, in 1865 Echt enz. Thans bezit Nederland twintig Ursulinenkloosters met 800 Zusters, terwijl een Vice-Provincie met acht huizen nog op Java bestaat. Over heel de wereld is de Orde verspreid. 15.000 Ursulinen dienen thans het heerlijk ideaal van de H. Angela.
Was het vrij losse verband in de onderscheiden Congregaties een eerste band om al die huizen en Zusters in haar werk voor het gemeenschappelijk ideaal te vereenigen en innig met elkander verbonden te houden. Paus Leo XIII, die ook de onderscheiden observanties der Minderbroeders vereenigde, bevorderde allersterkst, dat ook de vele huizen der Ursulinen een nauwer contact met alkander zouden zoeken. Zoozeer waardeerde hij haar werk, dat hij het sterker nog georganiseerd wilde zien om het des te breeder verspreiding te geven.
Het is niet zoo gemakkelijk, verschillende observanties, elk gegroeid en ontwikkeld op eigen wijze en naar den geest der H. Angela aan verschillende omstandigheden aangepast, in een enkele observantie samen te brengen. Toch heeft van den anderen kant de groote saamhoorigheid en eenheid van gedachte en ideaal deze aaneensluiting in sterke mate [9] bevorderd. Het mag wel tot bijzondere vreugde stemmen, dat wij hier ook feest vieren in een huis, dat aangesloten is bij de Romeinsche Unie, in het nauwste verband met de overige huizen in ons vaderland.
In het hoofdklooster te Vught den zetel van de Provinciale Overste is vanmorgen het Eeuwfeest ingezet met een Pontificale H. Mis door Z.H.Exc. Mgr. Diepen. Door deze H. Mis op te dragen in het Moederhuis heeft die H. Mis een centrale beteekenis gekregen. Daar is het feest ingezet, dat wij hedenavond hier verder voeren.
Welk een groot voorrecht het voor het huis in Nijmegen, voor het Gymnasium ‘Mater Dei’ is, tot dit Provinciaal verband te behooren, springt dadelijk in het oog. Zoo werken alle huizen samen om daar de krachten te plaatsen welke noodig zijn voor het onderwijs, dat hier gegeven wordt. De heer Krootjes heeft hedenmorgen wel den wensch geuit, dat veel Nijmeegsche Ursulinen den roem van dit klooster en daardoor van deze stad zullen uitmaken. Ik zou den wensch, dien ik van ganscher harte onderschrijf, willen aanvullen met dien anderen, dat door dit Provinciaal verband van de verschillende huizen steeds weer nieuwe uitstekende krachten naar Nijmegen komen om hetgeen een huis niet zou kunnen, aldus in stand te houden en tot steeds hooger bloei te brengen. Met de voortschrijdende eischen van het onderwijs zouden de Ursulinen geen scholen, voor dezen tijd zoo noodig kunnen hebben zonder dit breeder verband, door Paus Leo in zijn steeds geprezen wijsheid aan de Orde gegeven.
Vergeef mij deze historische uitweiding. Ik gaf ze om er aandacht voor te vragen, dat hoezeer in den loop der tijden de oorspronkelijke instelling der H. Angela ook gewijzigd is, deze wijzigingen eigenlijk in haar eerste instelling zijn gewild en voorzien en niet in strijd zijn met die instelling.
Als ik hier den nadruk leg op het sterk maatschappelijk karakter van de instelling van Sint Angela, dan moet ik er het paradoxale mee verbinden, dat nauwelijks een onderwijs-instelling denkbaar is, waarin daarmede grooter afsluiting van de wereld en eenzaam verkeer met God verbonden is. Weer geheel in den geest der Heilige. [10]
Het kan ons in het geheel niet verwonderen, dat reeds een H. Carolus Borromaeus, toen hij Zusters in een klooster wilde, de Ursulinen daarvoor uitkoos. Hij deed dit, omdat het geen tegenstelling voor dezen inhield. Zien wij de H. Angela zelve.
Als klein kind reeds heeft ze met haar Zusje een kluisje in den tuin en grooter geworden vlucht zij met haar Zusje, als een andere Theresia, uit het huis van haar oom om in de bergen God in de eenzaamheid te zoeken. Die trek naar de eenzaamheid is de H. Angela bij al haar maatschappelijk werk bijgebleven en het is wel een opmerkelijke beschikking der Voorzienigheid – voor de Zusters zelve een les – dat ondanks haar sterk maatschappelijke instelling Pausen en Bisschoppen haar toch in de eenzaamheid van het slot voeren. Zoozeer heeft de Paus dit op prijs gesteld, dat hij haar bij de stichting der Romeinsche Unie niet den titel van Moniales van Nonnen met slot en plechtige Geloften heeft ontnomen, integendeel dezen titel opnieuw heeft bevestigd ondanks de noodzakelijkheid, in de onderhouding van dat Slot eenige ingrijpende dispensaties toe te staan, om het werk der opvoeding en van het onderwijs mogelijk te maken.
Gelijk dit stil verkeer met God in de eenzaamheid bij de H. Angela en hare volgelingen geen vervreemding van de wereld heeft gebracht in den zin, dat zij niet meer begrepen zouden hebben welk onderwijs de wereld eischt, maar wel er toe heeft bijgedragen om dit onderwijs met zoo groote toewijding voor God alleen te geven, zoo leert de geschiedenis van den hoogen bloei van dit onderwijs in alle landen der wereld, dat de merkwaardige afsluiting van de wereld in den zin van het kweeken van een ingetogen verkeer met God integendeel de beste waarborg is, dat de roeping blijft bewaard en de noodige aanpassing juist door de gekweekte gehoorzaamheid en nederigheid wordt in de hand gewerkt.
En hier kom ik tot een andere groote verdienste en glorie der Ursulinen. Er is zoo groote eenheid en continuiteit.
Toen de H. Angela ging sterven, zeide zij tot hare Zusters, dat zij bij haar bleef, inniger en meer met haar levend, dan zij het deed gedurende haar leven hier op aarde. Dat is wel sterk bewaarheid en in de geschiedenis der Ursulinen tot uitdrukking gekomen. De H. Angela staat in haar midden als het lichtend ideaal, als het groote voorbeeld. En om haar groepeeren zich in ieder huis weder hare Zusters. We hebben hier een Orde voor ons met een traditie van eeuwen. Wij hebben hier een huis, dat niet alleen staat, maar wortelt in het grijs verleden [11] en die tradities hoog wil houden. Er is iets eigens in al die Ursulinenkloosters en dat eigene heeft ze steeds weer doen stichten, dat eigene, dat de geest is van de groote stichteres, die er volgens haar woord heeft willen blijven leven, is met al haar Zusters, wil dat al haar Zusters daar aan denken. Ik ben met U. Dit geeft aan die scholen een rustige voornaamheid, een kalm vertrouwen, dat de moeilijkheden worden overwonnen, een blij en dankbaar optimisme, bron van zooveel goed in het maatschappelijk leven.
Ik zou daar verder over willen uitweiden, maar het spreekt zoo duidelijk in de geschiedenis van het onderwijs, in de geschiedenis van de stichting van telkens nieuwe scholen, dat het mij overbodig schijnt daar meer op in te gaan.
Laat ik nog even een andere eigenschap naar voren brengen die de H. Angela in de werken van liefde harer Zusters op zoo bijzondere wijze daaraan eigen heeft gewild.
Ziet, hoe zij bij het stichten harer Congregatie al haar Zuster[s] meeneemt naar de bergen en samenbrengt op een plaats, waar een groot kruis is opgericht. Daar aan de voeten van het kruis wilde zij den grondslag leggen van haar onderling verband. Hoog moet steeds het kruis staan als het teeken, waarin haar Zusters zullen overwinnen.
In de Fransche revolutie zien wij de Zusters Ursulinen evenals andere Zusters het schavot bestijgen. Maar heerlijk is in haar mond, dat zij de gruwelen der Revolutie niet vreezen, op haar post zijn gebleven of, gewelddadig verjaagd, er zijn teruggekomen om, als het moet, ten koste van haar leven Katholiek onderwijs te geven. Niemand heeft meer liefde dan wie zijn leven geeft voor wie zijn liefde hebben.
De Ursulinen, door haar belofte en het volgen harer roeping, hebben haar leven Gode toegewijd en zij wijden het Hem voor de zaak van het onderwijs. Dat dit offers vraagt, wie zal het ontkennen. Dat offer mag soms zoet worden gemaakt door aardsche erkenning, stoffelijke belooning, heerlijke resultaten, in een klooster levend met beloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid wordt die vergoeding naar den mensch tot een minimum teruggebracht. En toch houden de Zusters vol. En toch blijven zij op haar post. En ook als die aardsche belooningen, die erkenning van de zijde van de menschen, die dankbare erkenning door de leerlingen achterwege zullen blijven, ook als de tijden, nu gunstig voor ons Katholieke onderwijs, zullen veranderen, dan zullen de Ursulinen hier op de bres staan. [12] Ook zij zullen – God verhoede het, maar ook Nederland heeft in de geschiedenis zijn slechte jaren gehad – haar leven geven als de Zalige Martelaressen van Valenciennes als de martelaressen van Orange, voor de zaak van het Katholiek onderwijs, als dat noodig wezen mocht. Zij zullen de H. Angela voor zich zien, in haar midden om haar tot het martelaarschap onder bloedigen of onbloedigen vorm aan te sporen en het onderwijs lief te hebben ondanks alles.
Leeraressen en Leeraren, aan deze school verbonden, U, die U ook met hart en ziel wijdt aan het onderwijs hier gegeven, ik feliciteer U, dat U dit onderwijs geeft in dit milieu. Het moet U goed doen, te leven en uw liefde tot het onderwijs te volgen in een sfeer, die van de liefde tot dat onderwijs, van de liefde tot het kind doortrokken is.
En de Zusters feliciteer ik met uw gezelschap, om dat gij haar helpt in de nastreving van haar verheven ideaal. Door uw eendrachtig samenwerken heeft Nijmegen iets, dat geen van beiden afzonderlijk aan de stad zouden kunnen geven.
Moge dit feest er toe bijdragen om U allen nog inniger te verbinden en het gemeenschappelijk ideaal tot heil der stad met des te grooter energie na te streven.
Ouders, hier aanwezig. Ik wensch ook U geluk op dezen dag. Zulk een feest moet U goed doen. Bij uw zorgen voor uw kinderen ziet Ge blij dit huis hier staan, dat U wel niet van alle zorg ontheft, maar toch zoo heerlijk schoone waarborgen biedt voor een Katholieke opvoeding van uw dochter in de moeilijkste jaren van haar leven, waarin gij niet alleen kunt staan en noodzakelijk uitziet naar de beste hulp.
Het is een moeilijk werk, dat door de Zusters ten deele uit uw handen wordt genomen. Besef, dat het moeilijk is en waardeert, wat gedaan wordt aan pogingen om de moeilijkheden, welke de opvoeding van uw dochtertje meebrengt, te overwinnen. Ik weet, gij zijt erkentelijk, dezen morgen heeft de heer Peters het namens de Ouders en ik ben er zeker van – de stoffelijke bewijzen had hij overigens in zijn hand – met alle instemming verklaard. Bij zulke sprekende bewijzen van dankbaarheid en erkenning klinkt het als een wanklank, een beroep op U te doen om ook in de toekomst het moeilijke van het werk, hier gedaan, hier beproefd, te erkennen en hoe hoog wij heden de Zusters Ursulinen prijzen, in haar menschen te blijven zien die evenals wij in raadselen leven en voor wie de Goddelijke Wijsheid slechts in spiegelbeelden kenbaar is.[2] [13]
Eindelijk Zusters, U mijn hartelijkste gelukwensch.
Ik zou U haast benijden, als ik zelf niet behoorde tot zoo’n mooie Orde met niet minder schoone en heerlijke idealen. God strooit zijn gaven wel kwistig uit. En langs vele wegen leidt Hij de menschen naar geluk. Maar U heeft toch wel zeer bevoorrecht, door U samen te brengen in een Orde met aan haar wording een Heilige, wier ongeschonden lichaam U nog levende gedaante voor den geest brengt, die in uw midden volgens haar woord blijft voortleven, wier wijsheid groot is geweest om U allen op te voeden in een geest, die heilzaam is geweest voor honderden geslachten, honderd duizenden, neen, millioenen meisjes.
Ik kom weer op mijn eerste beeld terug.
Die velen hebben onderwezen in de wegen der gerechtigheid, zullen schitteren als sterren aan den hemel.
Sterren zijt Gij en moet Gij steeds meer zijn.
Licht geeft Gij en moet Gij steeds meer geven.
Gods lievelingen en uitverkorenen zijt Gij, tracht het steeds meer te wezen.
De liefde heeft U samengebracht, de liefde, het zeer bijzonder kenmerk van de kinderen Gods, het beeld van het H. Hart, dat Gij op uw cour wilt oprichten, dat de Ouders er met U willen oprichten, het moge de liefde hier steeds meer doen heerschen.
En de Moeder der Schoone Liefde, die ons den God der liefde gaf, doe U dien steeds duidelijk zien.
Dan is het niet donker.
Dan is het licht.
In uw licht, Zusters, mogen velen het Licht zien.
- Typescript (NCI OP96.10), 13 pages. Speech held 25 November 1935 in Nijmegen (Grammar school Mater Dei) at the 400th anniversary of the Ursuline Sisters. See also: Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 26 November 1935. ↑
- See: 1 Cor 13:12. ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026