Feestvierende Studenten

1932

Festive speech

MR.

Feestvierende Studenten

[1]

Bij de viering van uw eerste lustrum wensch ik U en Uwe vereeniging van harte geluk. Ik ben oprecht blij, dat Gij thans dit lustrum vieren moogt en met de vreugde dezer feestviering de moeilijke beginjaren zijn afgesloten. Ik heb Uwe vereeniging zien groeien en daarom verheug ik me heden over het bloeiende leven er van. Met groote waardeering gedenk ik vandaag het onvermoeide werken van degenen, die begonnen en den grondslag legden, maar met nog meer waardeering meen ik te mogen wijzen op de volhardende doorzetting van hetgeen door hen begonnen is door degenen, die na hen kwamen en thans de leiding hebben.

Dat ik hierover mijn bijzondere waardeering, ja bewondering uitspreek, geschiedt niet zoozeer omdat Gij als jongere menschen getoond hebt, ook iets te kunnen, reeds op uw leeftijd iets presteert, dat nuttig genoemd mag worden, maar vooral omdat hetgeen Gij gedaan hebt en in uwe Vereeniging nog doet, is ingegeven door liefde tot uw H. Roeping. Men heeft U gezegd en Gij hebt zelve begrepen, dat de groote schat van de in U gevoelde roeping tot het Priesterschap U heel bijzondere verplichtingen oplegde, U ook in den vacantie-tijd hoezeer een tijd van ontspanning en verstrooiing bond aan een zoeken daarvan in beperkten passenden kring, U ook in den vacantie-tijd drong tot bijzondere oefeningen van godsvrucht en het verrichten van kleinere werkzaamheden in de lijn uwer verheven roeping.

Ziet, dat Gij hier in deze vereeniging samen zijt, is en voor U en voor Uwe Ouders een bewijs van liefde tot uw roeping. Velen uwer kunnen misschien den steun, dien zij hier in deze vereeniging onder de vacanties voor hun roeping ontvangen, ontberen. Voortgekomen en levend in een braaf christelijk gezin zouden zij niet zoo spoedig de liefde tot hun roeping verliezen, maar het is zoo mooi, als men iets meer ziet doen, dan strict noodzakelijk is, als de liefde dringt tot versterking der roeping op alle mogelijke wijzen en die roeping tracht te vrijwaren van elken schadelijken invloed. Het was voor mij steeds een genot, als Gij in grooten getale samenkwaamt om met elkander een H. Mis bij te wonen, met elkander de H. Communie te ontvangen en zoo U allen verenigdet in uw edel streven naar het hoogste, waartoe een mensch met Gods goedheid mag opstijgen. Dat zijn mooie momenten onder de vacantie van een Priesterstudent. Met groote blijdschap zag ik U ook onder elkander uw vermaak zoeken op gepaste wijze en U interesseeren voor velerlei goede dingen. Uw tooneelspel had een veredelende strekking, uw opstellen en voordrachten ademden een goeden geest, uit alles sprak het besef uwer uitverkiezing steeds luider. Het moge niet altijd volmaakt zijn geweest, de opkomst had soms grooter, de medewerking inniger [2] kunnen wezen, dat alles is geleidelijk gegroeid en mooier geworden en thans na vijf eerste beginjaren staan we voor een bloeiende vereeniging.

Met een enkel woord moge ik nog herinneren aan een moment van dit laatste jaar en daarmee mijn gelukwensch besluiten. St. Jan heeft op heerlijke wijze deelgenomen aan het Nationaal Maria-congres en zich met zijn H. Patroon gesteld naast de H. Moeder des Heeren, haar vereerend als Moeder, door haar beschermd als haar Kind. Ik ben oprecht blij, dat Gij uw uiterste best hebt gedaan om aan deze grootsche Maria-hulde ook uwerzijds allen luister bij te zetten, allen hier tegenwoordig te zijn bij de H. Mis door Zijne Excellentie Mgr. Dr. Smit voor U opgedragen. En ik ben er zeker van, dat zijn begeesterend woord U ook inniger met Maria uwe Moeder en door haar met haar Goddelijken Zoon heeft vereenigd, uw roeping daardoor is versterkt. Sta steeds met uw Patroon Sint Jan aan de zijde van Maria. Hoor steeds uit Jezus mond het woord tot Sint Jan en in hem tot U gesproken: Zoon, ziedaar uw Moeder. Onder haar bescherming is uw roeping heilig en veilig.

Omdat deze Vereeniging daarvoor voor U het onderpand is, u daaraan telkens herinnert, wensch ik U van ganscher harte geluk met het feest Uwer Vereeniging en prijs ik U gelukkig, dat Gij lid van haar zijt.

Ik sluit dan ook met den wensch: Bloeie steeds meer Sint Jan, de Nijmeegsche Vereeniging van Sudenten voor het Priesterschap en Zijt Gij allen zijn dankbare en overtuigde leden.

 


  1. Typescript (NCI OP96.2), 2 pages. The speech was held in 1932 for the ‘R.K. Nijmeegsche Priesterstudentenclub “St. Jan”. This society was initiated in 1927 by Titus Brandsma, who was the first moderator of the society and who later on became its ‘honorary chairman’.

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026