Toespraak ter gelegenheid van de huldiging [Mgr. Jurgens]

1928

Festive speech

 

Toespraak ter gelegenheid van de huldiging van Z.D.H. Mgr. Constant Jurgens te Oss op 3 Juni ’28.

[1]

Monseigneur Jurgens, Monseigneur Deken der Stad, Edelachtbare Heer Burgemeester, Zeereerwaarde Heeren en Paters, Dames en Heeren.

In mijn plaats moest eigenlijk een ander spreken.

Was hij hier, hij zou zich niet onbetuigd laten en in welsprekende woorden zijn vreugde en blijdschap, zijn eerbied en hulde hebben uitgesproken.

U weet, wien ik bedoel.

Hier op deze plaats had thans voor U moeten staan onze vereerde Pater Provinciaal en om in eigen naam en in naam der Orde eer te brengen aan U, Monseigneur Jurgens, met wien niemand uit onze Ordesprovincie inniger verknocht was.

Hij de vriend van de familie Jurgens zou hedenavond gaarne de beelden in het geheugen terugroepen, welke in zijn herinnering leven van den huiselijken kring op villa Josina. Hij zou woorden hebben gesproken van blijde en dankbare herinnering aan veel goeds daar gezien, veel goeds daar, door zijn bemiddeling vaak mede, gedaan en hij zou den dag van vandaag als een heerlijke bekroning van dat vele goede hebben weten te schilderen op zijne wijze met sterk accent, met warm gevoel, vol gloed en pieteit.

Het is jammer, dat hij door zaken van de Orde te Rome, verhinderd is, te doen, wat hij gaarne zoude hebben gedaan, wat niemand beter had kunnen doen dan hij.

Als ik dan ook hedenavond als zijn Assistent zijn plaats inneem, dan doe ik dat niet, zonder dat ik er mijn spijt over uitdruk, dat hij hier zelf niet zijn kan, omdat dat zooveel mooier zoude zijn geweest. Maar dan onderdruk ik dat leedwezen om ook te zeggen, dat ik hem hier gaarne vertegenwoordig om uit zijn naam niet alleen, maar uit naam van de Nederlandsche Carmelieten, door het klooster te Oss zoo nauw met de stad Oss, met de Familie Jurgens, met U Monseigneur, verbonden, een kort woord van hulde te spreken.

De Paters – zoo mag ik hen hier wel noemen, Oss dan, wie bedoeld zijn – de Paters zouden deze huldiging niet kunnen denken, zonder dat hun de gelegenheid zoude zijn geboden, daaraan op [2] sprekende wijze deel te nemen. Ik ben blij, dat het Comité [2] dit heeft begrepen en mij in de gelegenheid heeft gesteld, namens de Paters hier enkele woorden tot U te richten.[3]

Monseigneur, uit naam van den Hoogeerwaarden Pater Provinciaal, uit naam van de Paters van het klooster te Oss, uit naam eindelijk van alle Paters der Nederlandsche Provincie, die allen [4] als hun hoogen vriend eeren,[5] die zich vriend toonde van den Osschen Carmel, breng ik Uwe Doorluchtige Hoogwaardigheid, onze meest eerbiedige hulde, blijk van onze vereering, onderpand van ons gebed.

Laat ik U zeggen, monseigneur, dat wij in U een voorbeeld zien en het ons als een geluk aanrekenen, U op ons levenspad te hebben ontmoet en dat hier hedenavond openlijk te mogen uitspreken.

Ik begrijp, Monseigneur, dat Uwe Nederigheid deze laatste maanden veel geweld is aangedaan, zooveel, dat uw [6] gemoed er haast tegen in opstand komt en U meent, dat het nu maar eens uit moet zijn, met al dat hulde brengen.

O, ik eerbiedig dit, maar toch maar tot op zekere hoogte. Want het onaangename, dat daarin ten slotte ligt opgesloten, het wordt overstemd voor ons en voor U door een jubel over de goddelijke uitverkiezing, U ten deel gevallen, over het geluk, dat God U heeft geschonken.

Ik denk hier aan een woord van onze groote H. Teresia, die dikwijls in vervoering uitriep, dat zij eeuwig den lof zou zingen, zou juichen en jubelen over de goedheid en de barmhartigheid Gods.

Zie, Monseigneur, als ik hieraan denk, dan wordt mijn woord van hulde een woord van gelukwensch, van gelukwensch aan Oss en zijn bevolking, dat het U in zijn midden heeft mogen zien opgroeien en heden ontvangen, maar van gelukwensch ook aan U, monseigneur, dat God U tot zulk een mooi leven heeft geroepen en voorbestemd.

Ik behoef dit voor U niet te ontvouwen. Ik weet te goed, hoe Uwe Doorl. Hoogw. het schoone en heerlijke van het katholieke leven, van de roeping tot den priesterlijken staat, van de uitverkiezing tot missionaris, van de verheffing eindelijk tot de volheid des priesterschaps beschouwt als gaven van den goeden God. [3]

U voelt zich een kind van Onzen Lieven Heer en voelt U in dat besef uwer bijzondere uitverkiezing – het kan niet anders – bijzonder gelukkig.

Het moge U eenigermate tenslotte onaangenaam worden, steeds de loftrompet te hooren steken over hetgeen het U gegeven was, in uw nog kort leven tot stand te brengen en te doen, het kan U niet tegen de borst stuiten, dat met een loflied gezongen wordt God ter eere, die U tot zulke verheven dingen uitkoos, die uw leven zoo heerlijk maakte, dat het U zelven steeds inniger aan Hem verbindt en anderen eveneens steeds nader tot Hem brengt.

Ik vind het heerlijk, Monseigneur, op dezen avond te mogen gedenken, hoe God U in het ouderlijk huis reeds met zooveel omringde, dat Uw geest naar Hem heenleidde, U in en door uwe opvoeding allerlei eigenschappen schonk, welke U thans sieren en beminnelijk maken, U deed opgroeien in een kring van zusters en broeders, die niet den levensweg gingen, door God voor U afgebakend, maar voor wie U altijd de beminde hoogvereerde broeder bleef, dien zij steunden in zijn verheven werk, in wiens werk zij door hun gebeden en niet geringe stoffelijke gaven wilden deelen, die U nog altijd zijn voorbeelden van energie, steun in uw apostolaat, banden, die U weder met velen verbinden, wier steun U volgens de beschikking van Gods Voorzienigheid onmisbaar is om het werk, door Haar U toebedeeld, te volbrengen. Hoe heerlijk is het hedenavond terug te denken aan de oogenblikken door U in dien huiselijken kring doorgebracht, tot innige Godsvrucht geleid door uw vrome Moeder, tot een kordaten jongen ook in het godsdienstige gedrongen door Pa’s vaak geestdriftige bewondering voor groote werken op godsdienstig gebied, welke hij steeds met zoo vrijgevige hand steunde, te liever, naarmate ze sprekender en grootscher en heldhaftiger waren. Wat had hij geen stille bewondering voor uw trek naar het priesterschap, later naar de Missie. Hij zag U noode zoover wegtrekken en stelde allerlei andere apostolische velden aan uw aandacht voor, maar toen uw hart door God geleid, U naar Scheut riep en bleef roepen, toen legde hij er zich flink bij neer. Hij zou bang zijn geweest, door zijn tegenstand U ten halve te doen zijn, wat, als U het worden wilde, hij wilde, dat U het ook ten volle zou zijn. Wat zou Ma [4] er groot op zijn gegaan en het als een voorrecht des Hemels hebben beschouwd en ging Pa er fier op, dat hij nog mocht beleven, dat U priester, dat U missionaris en zulk een missionaris werd. In zijn laatste oogenblikken was het hem een troost en een voldoening, een onderpand van Gods goedheid en barmhartigheid, dat hij in U een zijner kinderen aan den dienst van God had mogen geven. Met U gaf hij iets van zichzelven.

Maar laat ik verder gaan en zien, wat God U nog schonk in uw verder leven, hoe hij U, die stond te midden van de schatten der wereld zoo diep er de ijdelheid van deed doorzien, dat hij den trek naar het hoogere in U deed groeien, steeds meer, dat Hij U bekoring deed vinden in het werk onder Igorotten, U de wereld onder een heel ander licht deed zien, dan zoovelen die beschouwen, en toch in haar ware licht. sub specie aeternitatis, in het licht der eeuwigheid. Is dat geen geluk, geen groot voorrecht en mogen we een gelegenheid als deze niet aangrijpen, om te jubelen dat God dat inzicht heeft gegeven aan degenen, die Hij zijn bijzondere liefde schenkt.

Maar Monseigneur, wensch ik U geluk, nog veel meer reden heb ik, mijzelven en ons allen in Oss geluk te wenschen, dat God in ons midden U heeft gesteld, om te doen zien, dat de wereld nog een andere zijde heeft dan de stoffelijke, dat het nog anders beleefd kan worden dan in de zucht om het goud, in de jacht naar het stoffelijke. Wij leven in een tijd, waarin wel heel sterk in alle kringen der maatschappij de zucht leeft naar een schitterende behagelijke onafhankelijke positie in de maatschappij. Velen niet het minst in de jeugd staat het voor den geest als een ideaal. Zij droomen zich ik weet niet welk bestaan, maar in elk geval een, waarin zij zich onafhankelijk maken, waarin zij over een zekere weelde kunnen beschikken. Ik veroordeel niet de zorg voor het aardsche, maar zij wordt zoo licht overdreven en boven alles gesteld, terwijl Onze Lieve Heer toch zeide dat eerst zijn rijk, dat niet van deze wereld is, gezocht moest worden. Voor wie dat doen, zal Hij in zijn Voorzienigheid beter zorgen dan [zij][7] het zelve kunnen doen, ook al spannen zij zich nog zoo in.

U staat thans in ons midden als iemand, aan wien Onze Lieve Heer het wijze inzicht heeft gegeven in hoogere levenswaarden, die een schitterende onafhankelijke [5] positie heeft versmaad om in den dienst van God met de geringste, welke U zou worden toegewezen, tevreden te zijn. U is allereerst priester geworden, maar ook als priester lachte nog veel U tegen, dat de wereld voor heerlijks en bekoorlijks biedt. Ook dat zelfs heeft U versmaad en U begeesterde een hooger ideaal. Het is een aanwijzing van Gods Voorzienigheid, dat het U heeft begeesterd, U die het zoo heel anders had kunnen hebben, dan gelijk U het daar gehad heeft onder die Igorotten, welke als zij of hun lotgenooten onzen weg zouden kruisen, nauwelijks de aandacht zouden hebben waardig gekeurd tenzij als bevrediging onzer nieuwsgierigheid. Maar uw hand heeft hen gestreeld en gevoed, uw omhelzing heeft hen getroost, uw liefderijke zorg heeft hen opgeheven. Dagen en maanden heeft uw geest zich ingespannen om middelen te vinden, welke hen in betere condities zouden brengen naar lichaam en ziel. Die liefde voor de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde in de zielen, ook van de meest verstootenen in de maatschappij, die liefde, die het bijzonder voorrecht is van de uitverkoren kinderen Gods heeft hen en U gelukkig gemaakt. O, Monseigneur, ik beklaag U niet, ik zou niet een ander leven voor U gewenscht willen zien, het is het schoonste en het heerlijkste, dat op aarde denkbaar is, maar, ach, hoevelen zou zulk een leven nog gelukkig maken. Hoevelen droomen veeleer van macht over anderen dan van een toestand, waarin zij de geringste diensten aan anderen hebben te verrichten, heel hun leven lang.

Uw komst in Nederland was een weldaad voor het land.

Het heeft aan velen ook van de hoogstgestelden de oogen weer eens geopend voor andere zijden van het leven en zij hebben er, God zij dank, bewondering voor gehad. Er zal wel een of ander zijn, die U krankzinnig heeft gevonden, een idioot heeft genoemd, een dwaas om zoo met zijn fortuin te spelen, maar dat zullen er, goddank, niet zoo velen zijn. Onder de Katholieken zal uw leven steeds een groote bewondering wekken, maar het is voor Katholiek Nederland noodig, broodnoodig, dat het nu en dan door zulke gevoelens van bewondering wordt overmeesterd. De klacht van dr. Poels op den laatsten Katholiekendag bewijst voldoende, hoe noodig het is, dat de Katholieken in de maatschappij, juist in de maatschappij om de toepassing van hun beginselen moeten denken. Woorden wekken, voorbeelden trekken. Uw voorbeeld moet velen tot het inzicht brengen, dat het leven heel anders geleefd kan en moet worden, dan het veelal geschiedt. En hier kom ik nog tot iets zeer opmerke- [6] lijks in uw apostolisch werk. Ik zie en hoor, dat U de prediking des geloofs, de zorg voor de zielen allerminst heeft beperkt tot het geestelijke, dat, al is heel uw leven gekenmerkt door achterstelling van het geluk dezer wereld bij het leven met en voor God, toch kenmerkt uw zielzorg een groote zorg voor het welzijn der uwen. Koffiecultuur, zijdecultuur en wat al niet werd door U met groote offers van moeite en geld geprobeerd om de Igorotten vooruit te helpen in het tijdelijke. U verwaarloosde het stoffelijke geenszins. Maar het was en bleef ondergeordend aan het eerste en voornaamste, het zoeken van het rijk Gods. Zoo moge uw voorbeeld niet de voorstelling wekken, dat men het tijdelijke geheel buiten beschouwing zoude kunnen of moeten laten, integendeel, het moge degenen, die hedenavond hier zijn samengekomen leeren, veel te doen voor het maatschappelijk welzijn, maar steeds ondergeschikt aan het eerst noodige.

Dit inzicht hebben in hooge mate vele leden der Familie Jurgens bezeten en zij hielpen U met hun geld en betrekkingen om vooral onder dit opzicht in uw werk te deelen. Oss wil ook aldus deelen in uw werk. Het voelt zich heden gelukkig in het feit, dat een zijner zonen voor heel de wereld heeft doen zien, dat Oss ook hoogere waarden waardeert. De naam der familie Jurgens heeft den naam Oss over de wereld uitgedragen, heel de wereld door is Oss bekend als een plaats, waar een groot industrie kon opbloeien, uw naam zal den naam nog in een edeler licht doen stralen en Oss doen zegenen als de stad, waarin uw schoone roeping tot ontwikkeling kwam. Maar niet slechts den naam van Oss, maar ook den naam van Holland. Driehonderd jaar geleden riep een Pater Vieira in Brazilie heel Zuid-Amerika te wapen tegen Holland omdat het een bedreiging was der Christelijke beschaving, nu zegent heel de wereld dien naam als den naam van een volk, dat wonderbaar talrijk alles verlaat om Gods rijk te prediken over geheel de wereld. Uw naam Monseigneur voegt aan dit laatste een nieuw argument een nieuwen titel toe.

Ik zal eindigen met er nogmaals ons aller vreugde over uit te spreken, dat wij U in ons midden hebben, U mogen begroeten heden als een der onzen, omdat we daardoor beter worden, meer overtuigd van onze eigenlijke bestemming, dieper doordrongen van de ware beteekenis van het leven, gestaald in ons vaak zoo zwak voornemen de wereld op haar juiste waarde te schatten.

Monseigneur, blijf nog lang de onze, God geve het.

 


  1. Typescript (NCI OP96.1), 6 pages. Corrections by pencil are presented in italics.
  2. Crossed out: ‘de meest’.
  3. ‘te spreken’ is corrected to: ‘tot U te richten’.
  4. Crossed out is: ‘de geschiedenis van het Ossche klooster kennen, daarmede meeleven’.
  5. ‘als hunnen vrienden erkennen’ is corrected to: ‘als hun hoogen vriend eeren’.
  6. Crossed out is: ‘bescheiden’.
  7. ‘zij’ is erroneously crossed out.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026