Wat Griekenland voor Nederland was?

1936

Speech

 

Wat Griekenland voor Nederland was?

[1]

Een land en een volk, dat door zijn hooge cultuur wel alle eeuwen door een omweerstaanbaren indruk heeft gemaakt, een sterke aantrekkingskracht heeft uitgeoefend.

Het Nederlandsche volk is daarvan zoo innig overtuigd, dat in het voorbereidend Hooger Onderwijs aan de studie van het Grieksch als taal om daardoor tot de schatten dier cultuur te geraken zulk een groot deel van den tijd wordt besteed, dat minder idealistische naturen dien nauwelijks aan de practische voorbereiding tot het leven meenen te kunnen afnemen en wij zelfs mogen spreken van een warmen en met gloed en overtuiging gevoerden strijd voor het behoud van den invloed der Grieksche cultuur op de opvoeding onzer vaderlandsche studeerende jeugd.

Dat begeesterd zijn voor de Grieksche cultuur dagteekent in onze landen en bij ons onderwijs al uit den ouden tijd. Niemand minder dan de groote Keizer Karel de Groote zette zijn Karolingische renaissance in met te verwijzen niet alleen naar Griekenland, maar met Grieken te winnen als leeraars aan zijn palatijnsche school, aan wier voeten hij zichzelf nog nederzette. En Alcuin, zijn eerste minister van onderwijs, zooals men hem heeft genoemd, steunde hem met hart en ziel in deze bevordering van het Grieksch en deze verspreiding van de Grieksche cultuur als basis voor de hoogere opvoeding. Dat was nog in den tijd, dat de schola Palatina nog niet aan een vaste plaats gebonden was en was, waar de Keizer was. Zoo mogen we zeggen, dat ook op de hooge Palts te Nijmegen, op het Valkhof eertijds de Grieken kwamen om een band te leggen met het land der hoog vereerde klassieke cultuur en wij daarin nu op dezen avond een welkome herhaling in de geschiedenis zien, nu door Zijne Hoogw. Exc. Mgr. Chalavazis[2] de band met Griekenland hier weder nauwer wordt aangehaald in deze aula van de Keizer-Karel-Universiteit.

Men schrijft aan dezen uitgesproken wensch van Keizer Karel toe, dat in dienzelfden tijd meer dan een boek uit den rijken schat der Grieksche letterkunde, meer in het bijzonder op het gebied van wijsbegeerte en godsdienst naar het Westen werd overgebracht. Volgende geslachten zijn daaraan trouw gebleven. De band door Keizer Karel gelegd is nog lang hecht gebleven.

In den wel zeer korten tijd mij dezen avond toegemeten zal men geen, ook maar eenigszins volledig overzicht verwachten van hetgeen de Grieksche cultuur aan Nederland schonk en wat Nederland daarin bijzonder op prijs stelde. lk kan slechts [2] heel enkele grepen doen, niet meer dan enkele punten aanstippen welke ik gaarne bij een andere gelegenheid verder zou ontwikkelen.

Om allereerst in mijn eigen vak, de Geschiedenis der Nederlandsche mystiek te blijven, mag ik hier wel wijzen op een boek, ook geacht, met grond, behoord te hebben tot de schatten van Grieksche wijsheid aan de schola palatina uitgereikt. De vaak zoo onbillijk beoordeelde opvolger van Alcuin aan de Schola Palatina Scotus Eriugena vertaalde het als een der eersten in het Latijn en heeft het met zijn toelichtende verklaringen over Europa gebracht. Ik bedoel het werk, dat ten name staat van dengene die het eerst den Bisschoppelijken Stoel bezette, waarvan wij nu den Hoogeerbiedwaardigen Bezitter in ons midden hebben. Dionysius den Areopagiet. Het werk is niet van hem. Men spreekt met recht van den Pseudo-Dionysius, die vier eeuwen later leefde. Maar diens boek mogen we niettemin een onvervalscht echt Grieksch getuige noemen van de Grieksche gedachte op wijsgeerig en theologisch gebied rond het begin der 5de eeuw. Het is opmerkelijk, hoe gretig zijn werk hier gelezen is, zijn geest hier is ingedronken. Hij is de Vader geworden der Westersche Mystiek. Collega Sassen heeft in den ouden Beiaard zijn lof nog eens bezongen en in het licht gesteld, welke een invloed hij heeft uitgeoefend. Om slechts de voornaamsten te noemen, heel sterk is zijn invloed merkbaar bij den Vader der Nederlandsche Mystiek den grooten Zaligen Jan van Ruusbroec, nog sterker is hij in den hier te lande ook zoo ruim verspreiden Eckehart. Er moge een reactie zijn ontstaan in onze lage landen tegen deze soms al te ver doorgevoerde bespiegeling en mannen als de goede kok van Groenendaal, Jan van Leeuwen, zoowel als Gerard Zerbolt van Zutfen mogen daartegen hebben gewaarschuwd, hun waarschuwing zegt nog weder duidelijker, hoe groot de invloed dier gedachte hier te lande is geweest.

Griekenland was bovendien de samenvatting van geheel de Oostersche cultuur. Het stond er bovenaan en vertegenwoordigde heel die rijke cultuur. Duidelijk komt dit uit in een der oudste monumenten onzer letterkunde Hendrik van Veldeke’s Leven van Sint Servaes. Hij zou uit Armenië zijn gekomen en zijn “gheboren van Sinte Mariën kunne”, hij sprak een vreemde taal, maar dit was geen beletsel, dat allen hem verstonden. Hij sprak in de legende de Grieksche taal, niet alsof allen Grieksch verstonden het duidt op een herhaling van het Pinksterwonder. Opmerkelijk is slechts, dat hier van de Grieksche taal gesproken wordt als de taal van het Oosten. Griekenland kende men, achter Griekenland hield, om zoo te zeggen, de wereld op. [3]

Men heeft wel eens gemeend, dat in het eerste tijdperk onzer letterkunde, waarin de groote mannen der Grieksche letterkunde niet zelden met eere worden genoemd, dezer eigen werk nauwelijks bekend is geweest, omdat bijv. een van Maerlant, een Origenes, Boendale Plato, Aristoteles en Joannes Damascenus dichters noemt. Men bedenke dan echter dat dichten in dien tijd een wijder zin had en schrijven in proza door van Maerlant elders “dichten zonder rime” wordt genoemd. Men kende er zeer zeker ook de werken. De Geschiedenis van de Scholastieke Wijsbegeerte leert ons, hoe juist in dezen tijd Sint Thomas van Aquino voor de vertaling van Aristoteles’ werken hulp ontving van den Nederlandschen Willem van Moerbeke. Diens Ordebroeder Thomas van Cantimpré of van Bellinghem ontleent zijn hoofdstuk over de Bijen, dat het uitgangspunt vormt van zijn beroemde ‘Bienboec’ zeer zeker aan het eigen werk van Aristoteles, waarschijnlijk zelfs aan het oorspronkelijk Grieks. Als Jan van Boendale in zijn ‘Lekenspieghel’ den “wisen clerc Aristoteles” noemt onder degenen, die leeren “hoe lantsheren souden leven”, mogen wij vrij veronderstellen, dat hij de werken van Aristoteles, zeker in steeds meer verspreide vertalingen kende. In de politiek of gelijk men het noemde “regeerkunst” spiegelde men zich gaarne aan Griekenland en zijn groote mannen. van Maerlant’s ‘Heimlicheit der Heimlicheden’ dat de geheimen der politiek tracht te ontsluiten en te leeren, is wel uit het Latijn, maar dit gaat terug tot de werken van de Trouwe Broeders van Basra uit de 10de eeuw, die hun wijsheid putten uit de Grieksche natuur-philosophie, uit de geschriften van Plotinos en andere Neo-Platonici en van de Neo-Pythagoreers. Bekend is intusschen, hoe vele schatten der oude Grieksche cultuur aanvankelijk slechts tot ons kwamen over Arabische bewerkingen. Dit schijnt ook hier het geval te zijn. Al werd het Grieksche ideaal gehuldigd, het geschiedde zeer zeker niet altijd onmiddellijk uit de oorspronkelijke Grieksche werken, toen niet en ook vaak later niet.

We moeten ons ook hier tot een paar voorbeelden beperken. De diepste grondslag van de veel verspreide roman van de ‘Zeven Vroeden van Binnen Rome’ moge al in Indië liggen en bij ons in een Fransche vertaling van een Latijnsche redactie ingang hebben gevonden, het staat thans wel vast, dat de Grieken ons dezen roman, den roman van Dolopathos, hebben overgeleverd en op hun bewerking de Hebreeuwsche en Latijnsche teruggaan. van Maerlant zegt dan ook, dat hij wel de zeven wijzen van Griekenland kent en in de Zeven Vroeden van binnen Rome van dezen slechts een weinig bevredigende weergave ziet. Van vele andere ‘Oostersch’ genoemde romans moge de kern wel liggen in de Arabische letter- [4] kunde, tot ons zijn ze gekomen over Griekenland. Niet zelden speelt de handeling zelfs in Byzantium en namen van personen en plaatsen geven meer dan eens duidelijk aan, langs welken weg die schatten van Oostersche verbeelding in onze literatuur hun ingang vonden. In den Parthenopaeus van Blois is de beschrijving van het kasteel Chiefdore geheel gebaseerd op een beschrijving van het Chrysoltriclinium of Gouden Zaal in Constantinopel. Hetzelfde Byzantijnsch karakter draagt misschien nog beroemder Floire ende Blanceflor, bekoorlijk idyllische geschiedenis van twee bloemen uit Zuidelijker streken symbolen van de liefde, wier verhaal wel op een oorspronkelijk Grieksch verhaal teruggaat via Italië, het Groot­Griekenland, tot de Fransche en vandaar tot ons gekomen.

Tot in de Rechtsbronnen toe vinden wij dien Griekschen invloed. Grimm heeft in 1841 het verhaal van de acht elementen waaruit God den mensch schiep, gevonden in het Emsiger Landrecht van 1312, uitgegeven in de Friesische Rechtsquellen (door v. Richthofen 1840) willen afleiden van een oud-Friesche mythe, verwant aan oud-Noorsche voorstellingen van de schepping, maar Prof. te Winkel heeft in het licht gesteld hoe wij diezelfde voorstelling terugvinden in ‘Der Mannen en Vrouwen Heimelicheit’ en hier met evenzooveel woorden als bron dezer voorstelling Aristoteles wordt genoemd.

van Maerlant’s Wrake van Jeruzalem is eveneens, al is zij niet aan Griekenland, toch aan een Grieksche bron ontleend en een korte bewerking van Flavius Josephus, waarin “door die lancheit van der jeeste” zoo zegt hij, “cortic die redene daer ic mach”.

Vooral verdient opmerking, dat wij bij het begin van onze letterkunde al voor de triomfantelijke zangen van van Maerlant staan over Alexander’s Geesten en ons de grootheid van den Griekschen held juist in dezen riddertijd als een ideaal wordt geschilderd.

Professor van Ginneken heeft enkele jaren geleden weer onze aandacht gevraagd voor de oude Nederlandsche vertaling van het Diatesseron, de Grieksche Evangelien-Harmonie van Tatianus dat, overeenkomstig den Griekschen geest zoozeer uitmunt in eenvoud, dat geen enkele andere Nederlandsche vertaling van de Evangelien in subliemen eenvoud daarmee vergelijkbaar wordt genoemd. Dat de Latijnsche vertaling van Victor van Capua hier ter bemiddeling heeft gediend, beteekent hier weinig. [5]

Naderen we dichter het klassieke tijdperk onzer letterkunde, dan zien wij den invloed der Grieksche letteren eer nog stijgen. Coornhert, de theoloog, de wijsgeer, de mysticus, de kunstenaar, de veelzijdige geleerde, was zoo vol van de waarde der Grieksche cultuur voor ons vaderland, dat hij, ofschoon de taal niet meester de eerste heeft willen zijn om de Odyssee, zij het uit het Latijn in het Nederlandsch te vertalen. Hij heeft het werk niet afgemaakt, het werd door anderen voltooid, hij heeft de eer, het begonnen te hebben. Wat Coornhert deed voor de Odyssee, deed van Mander voor den Ilias. Ook hij vertaalde de eerste 12 Boeken niet uit het Grieksch, maar uit het Fransch. De vertaling nog gemaakt in het laatst der 16de eeuw werd eerst in 1611 uitgegeven.

Zoo gaf van Ghistele nog een naar het Latijn bewerkte vertaling van Sophocles’ Antigone, in 1556 bij Simon Cock gedrukt en sinds in vele drukken verschenen. Hij stelt er ons den Griekschen meester voor als een leermeester ook voor dien tijd. Hij was de eerste, die bij ons smaak en moed genoeg bezat om het genieten van Sophocles hier mogelijk te maken.

Een grooten stap vooruit doet Spieghel, die niet tevreden was met die vertalingen uit het Latijn of Fransch, maar op lateren leeftijd nog begon Grieksch te leeren om de schrijvers in hun eigen taal te lezen. Dat was in 1580.

Men begon zich geleidelijk meer en meer in den Griekschen geest te verdiepen, daarin te denken en te leven. Beroemd is in onze landen Matthijs de Castelein en zijn Historie van Pyramus en Thisbe, tot viermaal toe gedrukt, waarin de liefdesverhouding van het Grieksche stuk geheel in geestelijken zin wordt verstaan. Christus wordt er ons geschilderd als Pyramus, Thisbe is de bruid van het Hooglied. Eenzelfde taal spreekt een lid van de Amsterdamsche Eglentier Goossen ten Berch, die een bewerking gaf van hetzelfde stuk. Men spreekt van dood en hel in de beelden van Charon den helschen schipper naar een dialoog van Lucianus.

In het begin van de klassieke periode onzer letterkunde gaf Heinsius een critische uitgave van Aristoteles’ geschrift over de Dichtkunst (1611) waaraan hij een verhandeling ‘de tragediae constitutione’ toevoegde, die voor vele dramatische dichters o.a. voor Vondel het wetboek der kunst is geworden. Aristoteles’ verhandeling over de Dichtkunst werd overigens herhaaldelijk vertaald en uitgegeven, bij een nieuwen opbloei der letteren op het einde der 18de eeuw nog weer vertaald door Bilderdijk, later nog weer door Prof. Wyttenbach met verklaringen van den Marburgschen Hoogleeraar Curtius (1780). [6]

Het voorbeeld van Spieghel werkte goed. Men begon geleidelijk zich te schamen voor een verheerlijking van de Grieksche letteren zonder de taal er van te kennen en de werken te vertalen uit het oorspronkelijke. Nadat meer dan een halve eeuw de Latijnsche taal en letterkunde de geesten tot nieuwe werkzaamheid had geprikkeld, kwamen in 1601 de levens van Plutarchus van Marten Everaert in het licht en zij oefenden grooten invloed uit niet slechts op de letteren, maar ook op de andere kunsten. Ik vermeld alleen maar, hoe in 1653 door schilders en dichters de vereeniging werd gevierd van Apelles en Apollo. Vondel werd er door Apollo als zijn groote zoon met een lauwerkrans omhangen. Aan beiden werd gelijkelijk de Grieksche kunst ten voorbeeld gesteld. Vondel zeide zelf: “Plutarchus heeft elk nu in den mond”. Hiermede was een zeer groote stap voorwaarts gezet. Vondel waagde zich het eerst aan de vertaling uit het Grieksch. Toen hij Sophocles Electra had vertaald, hield Seneca tot dan toe zijn voorbeeld, voor hem [op] het voorbeeld van den tooneeldichter te zijn. Deze vertaling zag het licht in 1639. Het duurde tot 1660, voor Vondel kwam met zijn tweede vertaling, die van Sophocles Oedipus. Een paar jaar later gaf hij ook van Euripides Ifigenien in Tauren in 1666 en Feniciaensche of Gebroeders van Thebe in 1668. In hetzelfde jaar gaf hij de vertaling van Hercules van Sophocles. Vondel is eigenlijk de eenige geweest, die nog in de 17de eeuw Grieksche treurspelen uit het Grieksch in het Nederlandsch overbracht. Hij heeft daarmee getoond, hoever hij ook daarin de anderen voor was. Maar het meest opmerkenswaard is hier, waarom hij zich zoo tot deze Grieksche spelen getrokken gevoelde. Het verklaart eenigszins, waarom het Nederlandsche volk daarbij door hem begrepen is en hij hier als Vader en Leider mag gelden. Zooals hij in de voorrede van de Hercules zegt, zijn het de eenvoud en de natuurlijkheid, welke er hem aantrekken.

Laten ook wij dat altijd weder van de Grieken en hun kunst leeren. Door zijn streng vasthouden aan de Aristotelische wetten van het drama, van de drie eenheden van tijd en plaats en handeling, is Vondel bovendien de strengste vertegenwoordiger van het klassieke treurspel geworden. Het is voor de Grieken wel de opmerking waard, dat juist de Grootmeester onzer letterkunde zich zoo waardeerend over hen en hun kunst heeft uitgelaten en nog altijd tot navolging prikkelt.

Ik zou nog van vele andere dichters en schrijvers moeten spreken, van Dirck Pers van Emden, Vondels drukker, met zijn bewerking van Lucretia ofte het beeldt Eerbaerheydt, van Karel Quina en zijn Moorenlantsche Geschiedenissen’, die ik slechts noem met de bemerking, dat zij in de Grieksche cultuur zulke [7][3] schoone voorbeelden van eerbaarheid en kuischheid zien.

Nog moge ik vermelden, dat in de vele verhalen van Vader Cats zeer vele geput zijn uit Herodotus, Plutarchus, Diogenes Laertius, Athenaeus en Achilles Tatius.

Hooft moet ik vooral vermelden, omdat hij zooveel heeft bijgedragen om de eenvoudige idyllische herders-literatuur van Griekenland hier bekend, meer hier inheemsch te maken. Hij moge [deze] in Italie hebben leeren kennen, hij heeft den geest geleid naar het land van hun oorsprong. Wel ontstond reeds in de 15de eeuw uit de ecloga en den Griekschen roman onder invloed der muziek de pastotrale of het herderspel, in de 17de eeuw ligt toch het hoogtepunt er van, eenmaal ingeburgerd verlaat het onze letterkunde nauwelijks meer. De Familie Justus Harduin, vader en zoon, vertaalden en bewerkten menig vers van Anacreon. In den Amsterdamschen Pegasus waren in het begin der 17de eeuw de Velddeuntjens in eere, die het landleven moesten verheerlijken en evenzeer aan Anacreon en Pindarus en andere Grieksche dichters herinneren. Later zal ook van Alphen in Anacreontischen trant, zij het minder in Anacreontischen geest dichten. Beter slaagde Bellamy die meer guitig naief in den juisten geest wist te blijven. Nog beter wordt geacht geslaagd te zijn tegen het einde der 18de eeuw E.J.B. Schonck, eens rector te Nijmegen – een straat herinnert nog aan hem – die eenige welgeslaagde proeven van Anacreontische Oden heeft gegeven in zeer getrouwe weergave. Prof. Pieter Nieuwland Hoogleeraar te Utrecht, later Lector in Amsterdam gaf in Orion verschillende gedichten uit het Grieksch, waaronder zijn vertaling van Aancreon’s Duifje naar het oordeel van bevoegde beoordeelaars alle vroegere en latere vertalers overtreft.

Als letterkundig product moge niet hoog staan, maar als bewijs van den geleidelijk hier te lande ingetreden kentering in waardeering van de Grieksche wijsbegeerte, tot dan toe de altijd spuitende bron, moge ik hier nog vermelden een uitvoerig gedicht van Janus Montanus in 1701 ‘Oorlog der Philosophen’ of de beroemde Veltslag tussen de vermaarde Aristoteles en den grooten Descartes. Het getuigt van groote bekendheid met beider stelsels, maar schijnt naar het Cartesianisme over te hellen. Wij kunnen hier op den strijd om het Aristotelisme in de Nederlanden hier niet ingaan. Het was in de late Middeleeuwen het algemeen aanvaarde stelsel en hoewel in het [8] Calvinistisch Holland Descartes’ stelsel gretig gehoor en aanhang vond, was hier de eerbied voor Aristoteles zoo groot, dat wellicht in geen land langer dan hier althans uiterlijk aan het Aristotelisme heeft vastgehouden. Zeker, in Frankrijk begon men reeds in de 16de eeuw onder Aristotelisme een nieuw georienteerde wijsbegeerte te propageeren en datzelfde heeft men hier in de 17de en 18de eeuw ook sterk gedaan, maar toch zeer lang heeft men hier aan den naam vastgehouden, omdat men toch niet het verband met de oude Grieksche wijsbegeerte wilde loslaten. Nog altijd staat in de beoefening van de wijsbegeerte de kennis van de Grieksche wijsbegeerte vooraan. Toen voor een jaar of tien het Candidaatsexamen in de Wijsbegeerte weer werd ingesteld en ter regeling daarvan de Hoogleeraren in de Wijsbegeerte van alle school en richting onder voorzitterschap van Prof. Heymans samenkwamen, zeide deze bij de opening der vergadering, dat het wellicht eenige moeite zou kosten, menschen van zoo verschillende richting op een plan samen te brengen, maar algemeen was de meening, dat de studie van de Grieksche wijsbegeerte vooraan moest staan.

Daar liggen schatten van cultuur, die niemand missen wilde.

Hoezeer de Grieksche kunst niet slechts dichters, maar heel het volk kan treffen, bleek in 1742 toen Willem van Haren, de afgevaardigde van de Friesche Staten in de Staten Generaal, die huiverig waren partij te kiezen in den Oostenrijkschen successie-oorlog, naar Polybius zijn Leonidas uitgaf. Binnen drie dagen waren er honderdduizend van verkocht en al mag dit overdreven zijn, de ridder voor Maria Theresia had wel een goeden greep gedaan met zich te inspireeren op dit Grieksch model.

lk kom tot Bilderdijk en da Costa. Ook bij hen dezelfde begeestering voor het Grieksche ideaal. Vertalingen uit het oorspronkelijk zijn nu zoo talrijk, dat ze niet meer in zoo kort bestek te noemen zijn. Dit is wel zeer frappant, dat Bilderdijk, die heel zijn leven eigenlijk aan het vertalen bleef omdat de schoonheid hem bekoorde, zelf verklaarde, in zijn Nederlandsch niet den eenvoud en natuurlijkheid te kunnen leggen, die hij met Vondel er in verheerlijkte en prees. Met Vondel verklaarde hij zich echter uitdrukkelijk voor de Grieksche tragedie boven de Latijnsche en Fransche en ook boven het burgerlijk treurspel en deelde hij daarin geheel het oordeel van Lessing in zijn Hamburgsche Dramaturgie, die in Duitschland nieuwe liefde wekte voor de Grieksche kunst. [9]

Hoeveel vertalingen in het laatst der vorige eeuw het licht zagen, is moeilijk te zeggen, het is een bibliotheek op zich geworden. Professoren wedijveren met studenten, dichters met schrijvers over allerlei onderwerpen om uit de Grieksche literatuur te putten. Het geldt gelukkig in Nederland altijd nog als een onderscheiding, dat men daartoe in staat is door kennis van de Grieksche taal al worden de wegen tot de Grieksche kunstschatten steeds breeder en meer geeffend.[4]

Ook de Grieksche kunst herleeft. In Nijmegen mogen we met voldoening wijzen op werken als Nicolas en nog in het bijzonder Collette den laatsten tijd voortbrengen en waarin zoo duidelijk blijkt, dat de Grieksche kunst blijft inspireeren. De muziek, die we hedenavond hooren[5] is niet nieuw, maar een klank die wegsterft in ver verleden, omdat zij dateert uit eeuwen her en altijd weer opnieuw bekoort.

In het geestelijk leven vermenigvuldigen zich de werken, die uit de Grieksche Vaders het schoonste brengen om onzen geest te voeden. Ook dat is niet nieuw. We vonden in de middeleeuwen de toen reeds vertaalde preeken en verhandelingen terug van een Johannes Guldemont en anderen.

Er is nog zooveel schoons verborgen. Nederland heeft nog lang niet genoeg genoten van het vele dat Griekenland het zou kunnen bieden. Wij verheugen er ons van harte over, dat het Apostolaat der Hereeniging ons er weder nader toe brengt, ons weder tot elkander doet komen en ik hoop van harte, dat dit bezoek er veel toe mag bijdragen om de liefde tot Griekenland te verinnigen en ons den zegenrijken invloed daarvan te doen ondergaan, vooral om die twee mooie dingen er van te leeren die Vondel en Bilderdijk er vooral in bekoorden: eenvoud en natuurlijkheid.

En dat dan de groote liefde tot Maria en de blijdschap om het Geheim der Verrijzenis, die op zoo bijzondere wijze in de Grieksche kerk leven, hier diezelfde bron van zegening doen vloeien.

 


  1. Typescript (NCI OP96.13), 9 pages, numbered. Speech held in the aula of the University of Nijmegen on the occasion of the visit of Mgr. Georgios Chalavazis, Archbishop of Athens, 3 March 1936. See: Algemeen Handelsblad, 4 March 1936. At the same event, Titus Brandsma welcomed the Archbishop in Latin: Excellentissime et Reverendissime Domine. The archives also preserve notes that are used for this speech, see: Wat Griekenland was voor Nederland? [notes].
  2. In the typescript erroneously: ‘Chalevazis’.
  3. The typescript has two pages numbered with ‘6’. With a pencil the numbering of this page and the following pages is corrected.
  4. In the original: ‘en meer geefend en ’.
  5. See: Algemeen Handelsblad, 4 March 1936.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026