Article
1930
Het jubileum van ‘Boekzaal der geheele Wereld’
Een misverstand, dat uit den weg geruimd moet worden
Geen onaangename concurrentie, maar gewaardeerde samenwerking
Te lang reeds wachtte ik, gevolg te geven aan de uitnoodiging welke ik van hooggeachte zijde ontving om ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van het tijdschrift ‘Boekzaal der geheele Wereld’ in het kort nog even terug te komen op het ontstaan er van, meer in het bijzonder om eenig misverstand weg te nemen, dat met betrekking daartoe nog altijd bestaat.
Nu na 5 jaar werken het tijdschrift ‘Boekzaal’ naast ‘Boekenschouw’ een eigen plaats heeft veroverd, zoo beteekenend en eervol, dat we het niet meer zouden willen missen, nu moge niet langer op dit tijdschrift een odium drukken, door velen daarop gelegd om de houding van den thans ontslapen redacteur van ‘Boekenschouw’, den Zeereerw. Pater A. Gielen, S.J. te minder, omdat aan diens woorden en daden een beteekenis is gegeven, welke deze blijkens diens eigen latere verklaring nooit hadden.
Zooals in vele dingen ging Pater Gielen ook in den strijd tegen het slechte boek en de aanbeveling van het goede zijn eigen weg. Hij had zich tot levenstaak gesteld, voor onzen tijd een ‘Boekenschouw’ te houden, die hem tot gids zou maken voor de velen, die in den doolhof van de boekenmarkt geen uitweg weten. En hij heeft aan de vervulling van die levenstaak gewerkt met een ontembare energie, totdat het hem te machtig is geworden en hij eerst door overmatigen arbeid soms al te zeer geprikkeld van geen maat houden wist, en zich steeds beheerschte, maar ten slotte door voortgezet overspannen arbeid werd geknakt en ontijdig aan zijn omvattenden arbeid werd ontrukt.
Hij ging zijn eigen weg. Dit maakte, dat niet altijd de samenwerking met hem even gemakkelijk was en hij ook in de vervulling van zijn taak niet allen gelijkelijk bevredigde.
Verschil van inzicht in de taak van ‘Boekenschouw’ deed bij enkelen het verlangen ontstaan naar bespreking van méér boeken, steeds méér boeken, aanstonds na ’t verschijnen; zoo het kon van alle boeken, die ter ontspanning van het leesgrage publiek op de markt werden gebracht. Dit zou aan den Gids het persoonlijk, hoog gewaardeerd karakter, dat Pater Gielen er aan gaf, welk eenigermate ontnemen, maar van den anderen kant den Gids meer bruikbaar maken, meer doen beantwoorden aan den eisch van het oogenblik.
Het spreekt vanzelf, dat Pater Gielen die met ‘Boekenschouw’ was samengegroeid niet gaarne aan zijn periodiek het persoonlijk karakter, dat hij het had gegeven, zag ontnomen. Maar het kan ons van den anderen kant niet bevreemden, dat bij den toenmaligen uitgever ‘Het Nederlandsche Boekhuis’ te Tilburg de drang naar een quantitatief breeder opzet steeds sterker werd. Daarbij kwam, dat Pater Gielen, in de boeken begraven door aanvragen om advies overstelpt, leider van een bloeiende studenten-vereeniging in de hoofdstad, hoe groot zijn werkkracht en werklust was, nimmer in staat bleek, den Uitgever de noodige kopy op tijd te verstrekken. Niemand, die het meer betreurde dan Pater Gielen zelf, maar niemand, die er meer door gedupeerd werd dan de uitgever. Deze heeft veel geduld moeten oefenen, al die jaren, ondanks gedane beloften van de zijde van Pater Gielen, die wel beloofde, maar door zijn ontzettend vele werk er niet in slaagde de beste beloften van beterschap te vervullen. Wij mogen het, bij allen eerbied voor de nagedachtenis van Pater Gielen, niet verhelen, hij bleef soms weken te laat, soms meer dan 1 maand. Zoo rezen er ernstige moeilijkheden. Tenslotte bezon men zich, het kon niet anders, op de verbintenissen. En de bewoordingen zoowel als de geschiedenis er van leidden ten slotte ook daar tot verschillende opvattingen.
‘Boekenschouw’ stond niet alleen. Daarnaast, stond de ‘Jaarlijksche Boekenschouw’. Was het maandschrift eigendom van Pater Gielen, die het stichtte, de tweede was het eigendom van ‘Het Nederlandsche Boekhuis’, die er de redactie echter van overgaf aan Pater Gielen. Zag het Nederlandsche Boekhuis zich op grond van Pater Gielen’s al te druk bezet zijn om tijdig de kopy te leveren, gerechtigd, de redactie van de ‘Jaarlijksche Boekenschouw’ aan zijn handen te onttrekken, de eerste vindiceerde zijn rechten op het maandschrift ‘Boekenschouw’, al lagen daarin tevens groote belangen van den uitgever, die duizenden guldens besteed had aan de propaganda er van. De winst, die het maandschrift de eerste jaren voor den uitgever opleverde, werd door die kosten opgeslorpt. Daarmede was echter voor het maandschrift een veel betere situatie geschapen. Het aantal abonné’s was in niet geringe mate gestegen, de abonnementsprijs van ƒ 3.85 tot ƒ 5.95 opgevoerd, terwijl prijswaardige advertentie-contracten waren afgesloten. Onttrekking van de uitgave van het maandschrift beteekende dus voor den uitgever, dat, nu de uitgave een netto-winst beloofde, zij van hem werd weggenomen. De tegenstelling werd nog grooter, toen ‘Het Nederlandsche Boekhuis’ om boeken te ontvangen ‘ter bespreking’ in zijn ‘Jaarlijksche Boekenschouw’ in een zijner tijdschriften een zeer uitgebreide rubriek van Boekbespreking opende, welke eenigzins verwezenlijkte, wat sommigen in ‘Boekenschouw’ misten.
De tegenstelling werd het scherpst, toen ‘Het Nederlandsche Boekhuis’ aldra, nadat het zekerheid had, dat ‘Boekenschouw’ het zou ontnomen worden, een eigen tijdschrift stichtte ‘Boekzaal’, dat zijn kracht zocht in ’t kort en zoo spoedig mogelijk bespreken van zooveel mogelijk boeken. De eigenaardige verhouding deed zich voor, dat ‘Het Nederlandsche Boekhuis’ nog eenige maanden de uitgave bezorgde van ‘Boekenschouw’, terwijl het reeds ‘Boekzaal’ in het licht gaf. Om daarmede op den meer gebruikelijken datum van het begin des jaars te beginnen, kon ‘Het Nederlandsche Boekhuis’ niet wachten, totdat de loopende jaargang van ‘Boekenschouw’, die liep tot April, ten einde was. Zoo zag Pater Gielen in het laatste nummer van zijn eigen tijdschrift reclame gemaakt voor het tijdschrift, dat, naar hij meende, het zijne op zij streefde. Al deed de aankondiging en aanbeveling van ‘Boekzaal’ in ‘Boekenschouw’ eigenaardig aan, men behoeft ze niet misplaatst te noemen. Beide uitgaven werkten voor eenzelfde doel langs verschillende wegen en op verschillende wijze. Ze konden elkander tot aanvulling en steun zijn.
De verscheiden opvatting van een Boekengids is den Katholieken lezer ten goede gekomen.
Pater Gielen voelde het echter als een aanslag en een beleediging. En ook dat is te verstaan, al was het dit niet. Pater Gielen voelde het zelfs erger aan. Hij zag in het verschijnen van ‘Boekzaal’ naast zijn ‘Boekenschouw’ het ideaal bedreigd dat hij nastreefde. Hij vreesde door die nieuwe uitgave in den hoek geduwd te worden, al had hij groot vertrouwen en mocht hij groot vertrouwen hebben in zijn werk. Gelukkig is zijn vertrouwen in zijn werk juist gebleken en was het hem gegeven, naast ‘Boekzaal’ zijn ‘Boekenschouw’ bij het katholieke Nederlandsche volk er in te houden. ‘Boekzaal’ vond er even goed zijn weg. Beiden voldeden in steeds breeder kring aan een daar gevoelde behoefte. Men moet echter Pater Gielen hebben gekend om te begrijpen, dat hij niet aanstonds zóó de zaken zag. Zijn indruk van het oogenblik was een bedreiging van wat hem lief en heilig was en ook een hoog belang voor katholiek Nederland beteekende. En met zijn vurig temperament liet hij zich wel eens verleiden tot uitlatingen over den directeur van ‘Het Nederlandsche Boekhuis’, uitgever van ‘Boekzaal’, welke niet op een goudschaaltje zijn te wegen.
Deze uitlatingen zijn te betreuren. Maar van den anderen kant moet men er niet in betrekken wat volgens Pater Gielen’s later verklaringen niet op den heer Verbiest van toepassing is.
In enkele afleveringen van ‘Boekenschouw’ en op ’n enkele plaats in zijn ‘Standaard-catalogus’ vaart Pater Gielen op heftige wijze uit tegen iemand, dien hij niet nader noemt en in wien in verband met het boven meegedeelde, niet weinigen onder wie redacties van eenige bladen den directeur van ‘Het Nederlandsche Boekhuis’ meenden te moeten zien. Zoo hij er mede was aangeduid zou het zeker een grove persoonlijke beleediging beteekenen. Men heeft er die in willen zien. De schijn der uiterlijke omstandigheden heeft er aanleiding toe gegeven, deze woorden op hem toe te passen, de waarheid echter is anders. Neen, dat was niet het beeld, dat bij Pater Gielen leefde van den persoon met wien hij jaren samenwerkte en in wien hij, al gingen ter oorzake van hetgeen boven werd meegedeeld hun wegen uit elkander, steeds de offers waardeerde voor de verspreiding van de kennis van het goede boek gebracht en van wien hij soms dankbaar erkende, iets te hebben geleerd. Al zou dit alleen reeds voor wie beide personen kent, de toepassing dier felle woorden op den heer G. Verbiest logenstraffen, er is meer. Ik ben blijde, hier ter plaatse openlijk te kunnen verklaren, wat Pater Gielen mij kort voor zijn overlijden met nadruk verzekerde met verlof, dit openlijk uit te spreken, dat hij daarmede allerminst den heer Verbiest heeft bedoeld of heeft willen treffen. Hij betreurde het ten zeerste, dat zijn woorden in dien zin waren uitgelegd. In die woorden is veel meer te zien de felle uiting van zijn persoonlijk leed, ervaren in den strijd om het goede boek en hem aangedaan door een persoon, wiens naam niet ter zake doet. Maar dit verklaarde hij nadrukkelijk, van den heer Verbiest heeft hij dat niet gezegd.
Ik wil nog verder gaan. Voor wie de woorden van Pater Gielen ondanks diens stellige verklaring niet anders kan zien dan gericht aan het adres van den heer Verbiest, moge hier evenzeer openlijk worden verklaard, dat hiermede groot onrecht aan den heer Verbiest zou zijn gedaan, wiens houding ten overstaan van ‘Boekenschouw’ en zijn redacteur correct bleef en niet verdient bloot te staan aan ’n bejegening als in deze woorden vervat.
Hiermede moge de voor den heer Verbiest, bij het groote gezag van Pater Gielen, zeer onaangename zaak tot de waarheid zijn teruggebracht.
Pater Gielen moge evenzeer door deze uiteenzetting in een beter licht komen, want velen zijner vrienden hinderde toch de uitleg van zijn woorden als beleediging van den heer Verbiest.
Het strijdbaar karakter van Pater Gielen heeft tot meer misvattingen aanleiding gegeven en soms menschen van hem vervreemd, voor wie hij groote achting had.
Al mogen door de felheid van zijn kritiek en spontaniteit zijner gevoelens misvattingen zijn geschapen, hier en daar personen van hem zijn afgestooten, niet altijd raakte hij de grenzen. En binnen de grenzen gehouden gaven die eigenschappen van zijn oordeel aan zijn periodiek kleur en kracht en hebben wij hem te waardeeren en te huldigen als een, die onnoemelijk veel gedaan heeft om het katholieke volk in Nederland verre te houden van het slechte boek en daaraan het goede bekend te maken.
Zijn vrees dat mogelijk ‘Boekzaal’ zijn ‘Boekenschouw’ verdringen kon, is onjuist gebleken. Het vertrouwen in zijn werk heeft hem voor ‘Boekenschouw’ aan het werk gehouden met al de groote talenten hem geschonken, zoodat hij bij zijn vroegen dood ‘Boekenschouw’ als een bloeiend tijdschrift heeft mogen achterlaten.
Van den anderen kant bleek het initiatief van ‘Het Nederlandsche Boekhuis’, dat de uitgave van ‘Boekzaal’ begon, gelukkig. De uitkomst heeft geleerd, dat het Nederlandsche volk ook de richting van ‘Boekzaal’ niet alleen, maar ook het stoer volgehouden werk van den grooten staf van redacteurs en medewerkers steeds meer heeft weten te waardeeren. Het Nederlandsche volk ziet de beide Boekengidsen al lang niet meer als concurrenten of als tegenstellingen, maar als schouder aan schouder strijdend voor eenzelfde goede zaak, als aanvulling van elkander, als twee vrienden, wier afzonderlijk vernomen oordeel in de vaak moeilijke keuze van het boek bijzonder op prijs wordt gesteld.
Nu het Katholiek volk van Nederland deze twee uitgaven zoo naast elkander ziet, nu moge alwat die harmonie verstoort, ook uit haar geschiedenis zijn weggenomen.
Bij ’t eerste lustrum van ‘Boekzaal’ moge voor beide uitgaven de wensch klinken dat zij leven en bloeien en groeien, beide hoogelijk gewaardeerd als onmisbare gidsen voor Katholiek Nederland.
Titus Brandsma, O.Carm.
- Published in: Nieuwe Schiedamse Courant, 3 April 1930, p. 10 (See also NCI OP30.10 which is the publication in De Residentiebode of the same date) ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026