1936
notes
Wat Griekenland was voor Nederland? [notes]
In de stad van Karel den Groote herinneren we ons, dat de groote leider in de Karolingische Renaissance, de bezielende kracht, die stuwde naar een nieuwe eigen cultuur, de noodzakelijkheid inzag, den Griekschen invloed daarop zijn zegenrijke werking te doen uitoefenen. Hij rustte niet, voordat hij uit Griekenland een Griek had gewonnen voor zijn schola palatina en zette zichzelven aan diens voeten om meer bekend te worden met taal en letterkunde van dezen ouden cultuurstaat. Het was nog in den tijd, dat de schola palatina niet aan een vaste plaats gebonden was en zich verplaatste met den Keizer. Diens geliefkoosd oord was Nijmegen en niet geringen tijd heeft hij hier doorgebracht. Zoo was reeds in overouden tijd in de dagen, dat Nijmegen opkwam als een centrum van cultuur, de komst der Grieken hier welkom, meer zij werd beschouwd als een zegen en de man uit het verre Oosten was een hooggewaardeerde gast des Keizers.
Men schrijft aan den uitgesproken wensch van Keizer Karel toe, dat in dien tijd meer dan een boek uit den rijken schat der Grieksche letterkunde, meer in het bijzonder op het gebied van wijsbegeerte en godgeleerdheid, naar het Westen werd overgebracht. Was in lateren tijd de invloed van de oude klassieke Grieksche letteren grooter dan die van de Grieksche wijsbegeerte en godgeleerdheid, het strekt den grooten keizer tot eer, dat hij wijder blik had en oog had tevens voor deze schatten der Grieksche cultuur.
Kan men in het algemeen zeggen, dat deze geste van Keizer Karel, waaraan volgende geslachten getrouw bleven, aan Griekenland en zijn cultuur een hooge waardeering hebben gewaarborgd en daarmee die cultuur hier haar zegenrijke werking heeft doen uitoefenen, wij mogen hier wel zeer in het bijzonder aandacht vragen voor een werk, dat vandaar uit een steeds nog niet genoeg doorvoelden invloed heeft uitgeoefend, ik bedoel het mystieke werk, dat op naam staat van den eersten Bisschop van Athene, wiens illustre en hoogw. opvolger wij thans in ons midden hebben, nu wordt aangeduid als het werk van den pseudo Dionysius den Areopagiet, wiens naam wij wel niet kennen, althans niet met zekerheid, maar van wien wij met zekerheid mogen zeggen, dat hij een onvervalscht getuige is van de Grieksche gedachte op wijsgeerig en theologisch gebied rond het begin der vijfde eeuw. Het is opmerkelijk, hoe gretig zijn werk hier gelezen is, door den opvolger van Alcuin als leider [82] van de schola palatina Scotus Eriugena in het Latijn vertaald en toegelicht en aldus de ruimste verspreiding heeft gevonden. Hij is de vader geworden van de Westersche mystiek. Collega Sassen heeft in de ouden Beiaard zijn lof nog eens bezongen en in het licht gesteld, welk een sterken invloed hij heeft uitgeoefend.[2] Om slechts de voornaamsten te noemen, heel sterk is zijn invloed merkbaar bij den Vader der Nederlandsche Mystiek, maar nog sterker is hij in de nog zoo talrijke handschriften, welke men hier te lande moeten gerekend worden tot de school van Eckehart. Er moge een reactie zijn ontstaan in onze lage landen tegen deze al te hooge bespiegelingen, de goede kok en Zerbolt van Zutfen mogen tegen dezen invloed hebben gewaarschuwd, hun waarschuwing zegt, hoe sterk die invloed was en ligt tegelijk een tipje op van den sluier die over de geschiedenis der Nederlandsche mystiek ligt, zoodat wij kunnen zien, hoeveel deze denkrichting heeft bijgedragen om in ons land de eigen cultuur te vormen, welke op geestelijk gebied vooral in de veertiende en vijftiende eeuw haar glorie is geweest.
Men heeft wel eens gemeend, dat in het eerste tijdperk onzer letterkunde, waarin de groote mannen der Grieksche letterkunde soms met eere genoemd worden om uitdrukking te geven aan de waardeering, welke men voor hun werken had, hun eigen werk niet bekend is geweest, omdat een Maerlant een Origenes, Boendale Plato en Aristoteles dichters en een Joannes Damascenus noemt. Men bedenke dan echter, dat dichten in dien tijd een algemeener zin had dan in onzen tijd en proza-schrijven door Maerlant alders “dichten zonder rime” wordt genoemd. In zijn Lekenspieghel noemt Boendale den “wisen clerc Aristoteles” onder degenen, die leeren, “hoe landsheren souden leven”. 1312
In 1841 heeft J. Grimm uit het oude Emsiger landrecht, door van Richthofen uitgegeven in de Friesische Rechtsquellen Berlin 1840 p. 211 geinterpreteerd als zouden daarin, waar het gaat over de acht elementen, waaruit de mensch door God geschapen werd, willen afleiden, dat daar een oud-Friesche mythe verwant aan de Oud-noorsche voorstelling van de schepping in voortleefde, maar Prof. te Winkel heeft in het licht gesteld, hoe wij diezelfde voorstelling terugvinden in Der Mannen ende Vrouwen Heimelijcheit en hier met evenzooveel woorden als bron dezer voorstelling Aristoteles wordt genoemd. Ook Thomas van Cantimpré of van Bellinghem ontleent zijn hoofdstuk over de Bijen, dat het uitgangspunt vormt van zijn “Bienboec” aan Aristoteles.[3]
[83]
Grieksch was de samenvatting van het Oosten. Het stond er bovenaan en vertegenwoordigde heel de rijke cultuur van dit morgenland. Duidelijk komt dit uit in Hendrik van Veldeke’s Leven van Sint Servaes. Hij zou uit Armenië zijn gekomen en [4] zijn “gheboren van Sinte Marien kunne”, hij sprak een vreemde taal, doch dit was geen beletsel, dat allen hem verstonden. Hij sprak de Grieksche tale, niet alsof allen inderdaad Grieksch verstonden, zoover was het nog niet gekomen, maar het wonder van Pinksteren zou ook hier herhaald zijn. Opmerkelijk is het slechts, dat in Veldeke’s verhaal Servaes zich uitdrukt in de Grieksche taal. Het duidt er op, dat deze de korte benaming was voor elke Oostersche taal. Griekenland kende men, achter Griekenland hield de wereld op.
[84]
In het begin van onze vaderlandsche letterkunde staan we al voor de triomfantelijke zangen van Maerlant over Alexanders Geesten en wordt ons de grootheid van den Griekschen held geschilderd als een ridderideaal.
[85]
Maerlant’s Wrake van Jeruzalem is ook al weder aan een Grieksche bron ontleend, zij het niet uit Griekenland zelf toch aan een Grieksche bron ontleend en een korte bewerking van Flavius Josephus. door die lancheit van der jeeste cortic die redene daer ic mach.
[86]
Ook in de politiek spiegelde men zich gaarne aan Griekenland. Maerlants Heimlicheit der Heimlicheden dat de geheimen der politiek tracht te ontsluiten en te leeren, een middeleeuwsche regeerkunst is genoemd, is uit het Latijn, maar dit is weer uit het Arabisch vertaald terwijl deze Arabische bewerking is ontleend aan de werken van de Trouwe Broeders van Basra, uit de 10de eeuw, die weder hun wijsheid putten behalve uit Grieksche natuurwijsgeerige werken, uit de gnostieke geschriften van Plotinos en andere Neo-platonici en van de Neo-Pythagoreen met hun getallensymboliek.
Een sympathie voor deze Pythagoreesche symboliek vinden we ook reeds bij den Bisschop-wijsgeer van Utrecht Adelbold.
[87]
De grondslag van de veel verspreide roman van de VII Vroeden van binnen Rome, moge al in Indië liggen en bij ons in een Fransche bewerking van een Latijnsche redactie ingang hebben gevonden, het staat thans wel vast, dat de Grieken ons dit, dezen roman “den roman van Dolopathos” hebben overgeleverd en op hun vertaling en bewerking de Hebreeuwsche en Latijnsche teruggaan. Maerlant zegt dan ook, dat hij wel de zeven wijzen van Griekenland kent, de VII Vroeden van Rome daarvan een hem maar matig bevredigende weergave ziet.
Van vele andere Oostersche romans moge de kern wel liggen in de Arabische literatuur, tot ons zijn ze gekomen over Griekenland. De handeling speelt er niet zelden in Byzantium en namen en plaatsen geven meer dan eens duidelijk aan, langs welken weg die schatten van Oostersche verbeelding in onze literatuur hun ingang vonden. In den Parthenopaeus van Blois is de beschrijving van het kasteel Chiefdore geheel gebaseerd op het Chrysotriclinium of de Gouden Zaal in Constantinopel als voorbeeld.
Hetzelfde Byzantijnsch karakter als de Pathenopaeus van Blois draagt de misschien nog beroemder Floire ende Blanceflor, de bekoorlijk idyllische geschiedenis van twee bloemen uit Zuidelijker streken, maar tot in het hooge Noorden bekend en geliefd. Het schijnt zelfs op een oorspronkelijk Grieksch verhaal terug te gaan, via Italie, het GrootGriekenland tot de Fransche en aldus tot onze letterkunde gekomen.
[88]
Vondel, de groote vaderlandsche dichter, vertaalde de Electra van Sophocles. Hij steekt hier gunstig af bij de tooneeldichter[s] van het midden der 17de eeuw. Het is wel het eenige, dat uit het Grieksch werd vertaald.
Coornhert, de theoloog, de wijsgeer, de mysticus, de kunstenaar, de veelzijdige geleerde, was zoo vol van de waarde van de Grieksche cultuur voor ons vaderland en achtte de kennismaking daarmede van zoo groot gewicht, dat, ofschoon hij zelf de Grieksche taal niet volkomen meester was, hij toch de eerste heeft willen zijn om de Odyssee, zij het uit het Latijn, in het Nederlandsch te vertalen. Zijn werk is niet afgekomen en door een ander voltooid, hij heeft door zijn vertaling uit de tweede hand vele anderen geprikkeld. Zijn houding en liefde voor het Grieksche kunstwerk moet hier toch vermeld.
Huydecoper’s Achilles van 1719 verdient volgens te Winkel onder alle 18de eeuwsche treurspelen bij ons bovenaan te staan. Het volgt den Ilias op den voet en hoewel hij sterk is geinspireerd door Racine heeft hij zich van zijn inspiratie vrij gehouden, waar deze hem zou hebben moeten doen afwijken van het oorspronkelijk Grieksch model. Alleen laat hij er de godenverhalen uit, omdat bij alles in den gewonen loop der natuur wenscht te zien en de werkelijkheid van zijn ideaal niet wil verkleinen door allerlei ongeloofelijke verhalen uit een onwerkelijke wereld.
In de dichtgenootschappen van het einde der 18de eeuw leefde nog evenzeer de vereering van den ouden Homerus. Herman Gerard Oosterdijk, lid van het door Bilderdijks vader gestichte genootschap Concordia et libertate vertaalde den geheelen Homerus in Nederlandsche verzen.
In den tijd der Herderszangen greep men weer naar Anakreon’s gezangen. Reeds Elisabeth Hoofman vertaalde ze in haar jeugd en de conrector der Latijnsche school van Alkmaar Gerard Kempher bracht ze niet alleen in dichtvorm over, maar [5] gaf ze tegelijk “op aangename zangwiyzen”. Om wille van de melodie werd de vertaling soms wel wat al te woordenrijk.
[89]
Bijzonder verdienstelijk maakte zich in Nederland voor het verspreiden van Ilias en Odyssee Vosmaer, die vertaler, maar ook kunstenaar wilde wezen. Prof. Naber en anderen hebben nog al kritiek op zijn werk geoefend en hij heeft die ook ter harte genomen bij herdrukken. Hij schreef ook Nanno, een Grieksche idylle onder invloed der Homerische poezie, en Londinias, een miniatuur-Odyssee
[90]
Prof. Hecker van Groningen gaf na zijn emeritaat als Hoogleeraar nog Agamemnon en Prometheus van Aeschylus[6] uit in Nederlandsche verzen.
overl. Delft 1909.
Burgerdijk deed hetzelfde en vertaalde eveneens deze twee spelen van Aeschylus op zijn lateren leeftijd 1880 en 1887.
Opzoomer was in 1868 begonnen met Antigone van Sophocles, of eigenlijk A.J. ten Brink in 1862, die hetzelfde vertaalde maar niet zoo verdienstelijk. Prof. Jan van Leeuwen [7] te Leiden volgde in 1881 met Ajas en in 1882 met Philoktetes en Antigone. Prof. van Herwerden van Utrecht gaf eveneens maar in minder goede verzen Antigone en voegde er koning Oedipus aan toe. Ook vertaalde hij Orestie van Aeschylus in 1878. Dit laatste werd eveneens vertaald door Allard Pierson in 1882. Het talent van een Bouwmeester droeg er wellicht nog meer toe bij om Sophocles populair te maken. Zelfs de Friezen vertaalden Sophocles en voerden zijn spelen op in hun eigen gewestelijke taal.
Mr. Alexander Sifflé vertaalde in 1836 ook Antigone van Sophocles.
Jacob van Lennep volgde in 1855 Sophocles van verre in zijn Filoktetes op het eiland Lemnos. S.J.E. Rau vertaalde de Philoktetes nauwkeurig in 1855 en Alcestis van Euripides in 1864.
[91]
Prof. van Heusde van Utrecht schreef in 1834-39 in vier deelen zijn Socratische School, waarin hij vooral de wijsbegeerte van Plato als middel gebruikte om de voortdurende ontwikkeling van het menschelijk wezen te toonen in het meer gerijpte zieleleven der Germaansche volkeren met hun romantiek en hun telkens zich vernieuwende Christendom.
In de Theologie komt in dienzelfden tijd ook weer een sterk Neoplatoonsche richting tot uiting. Da Costa.
[92]
Prof. Moltzer vraagt in 1891 nog weer aandacht voor het karakter van het tragische bij Aristoteles
Carel Vosmaer bekeerde eveneens van Plato tot Aristoteles van de speculatie tot de empirie. Het is intusschen teekenend voor dezen tijd, dat hij reeds zeide: Terwijl filosofen en theoristen ons in den steek laten, geeft een kunstenaar met eene beteekenende uitdrukking licht.
[93]
Jan Jacob Lodewijk ten Kate gaf in 1837 een door Hecker geprezen vloeiende vertaling van de Oden van Anacreoon.
[94]
Omstreeks het midden der 19de eeuw vertaalde nog weer Domien Cracco uit Roesselare de Ilias in hexameters, waarvan echter maar een gedeelte werd gedrukt.
[95]
Nu en dan werd om het meer ethisch karakter Euripides boven Sophocles verkoren zooals door Wiselius begin 19de eeuw.
Alcestis van 1817 en Ion van 1818 wijken echter sterk van Euripides
Prof. Jan ten Brink gaf goede vertalingen van Xenophon en van Plato’s Apologie. 1801-1819.
[96]
Men heeft ook in Da Costa Slag bij Nieuwpoort den invloed van Homerus meenen te moeten zien.
[97]
Bilderdijk voelde zich ook tot het Grieksche epos getrokken gaf Ulysses Hellevaart, en Ulysses Thuisreis, hij vertaalde twee boeken van de Odyssee, twee boeken van de llias, maar moest verklaren, dat hij te vergeefs beproefde de eenvoudigheid van Homerus in het Nederlandsch uit te storten. Hij was te persoonlijk voor de gemeenschapspoezie van het oud-Grieksch epos.
In zijn Kormak heeft hij nog wel weer het Grieksch model gevolgd en Odysseus uitgebeeld, het is te beschouwen als een poging om oud en nieuw te verbinden.
Bilderdijk maakte niettemin school. Da Costa volgde hem na en vele andere leerlingen. Mr. Jan van Gravenweert, die in het begin van de 19de eeuw Ilias en Odyssee vertaalde.
David Jacob van Lennep vertaalde van Hesiodus ‘Werken en Dagen’.
Da Costa gaf een geestige vertaling van de Batrachomachia, de Muis-en Kikvorschstrijd in 1821 en Euripides’ treurspel de Cycloop in 1828.
Bilderdijk gaf ook een vertaling van 16 Oden van Anacreon doch in een vorm, die er niet voor paste. Hij is heel vrij in zijn vertaling. Beter vertalingen zijn Theocritus, Bion en Moschus, uit wie hij mooie stukken in vertaling samenlas.
In de politiek verdienen nog een plaats Tyrtaeus Krijgszangen, door mr. Bilderdijk vertaald in 1787 tegen de Patriotten, die op Frankrijk hoopten. Bilderdijk bevorderde de komst van den hertog van Brunswijk, die dan ook gemakkelijk het land introk.
Da Costa was in het bijzonder begeesterd voor Aeschylus, zoodat hij reeds in 1816 kwam met vertaling van diens Perzen in 1818 van diens Prometheus.
Bilderdijk bleef aan het vertalen van Grieksche poezie. Hij wilde ook hierin Vondel op zij streven, al slaagde hij minder. Hij vertaalde ook den Oedipus. Hij verklaarde zelfs uitdrukkelijk, ook de Grieksche tragedie boven de Latijnsche en Fransche te stellen en ook boven het burgerlijk treurspel, naar het blijkt onder invloed van Lessing’s Hamburgsche Dramaturgie.
In 1789 vertaalde hij nog Sophocles Dood van Oedipus.
[98]
Willem van Haren, de afgevaardigde van de Friesche Staten in de Staten Generaal gaf in 1742 zijn gedicht Leonidas uit, waaraan hij behalve een proeve van overzettinge uyt Polybius in proza, nog twee andere lierzangen toevoegde. Deze Leonidas maakte een ongeloofelijken indruk. Binnen drie dagen waren er honderdduizend van verkocht. Dat zal wel overdreven zijn, maar het waren dagen van spanning. Men moest partij kiezen in den Oostenrijkschen successie-oorlog. De Staten waren huiverig om partij te kiezen voor de Hongaarsche koningin Maria Theresia. Van Haren trad op als haar ridder. Ook hier weer het Grieksch model.
[99]
Onno Zwier van Haren gaf een vertaling van een ode van Pindarus uit als werk van het Dichtgenootschap “Gunst baard kunst” en beschouwde dit in den tijd van de opperheerschappij in het Rijk der Letteren door de Dichtgenootschappen uitgeoefend als een voorrecht.
Een ander Fries Simon Styl, dokter in Harlingen, waar nog een gedenkteeken te zijner eer werd opgericht 29 Dec. 1860, schreef in 1768 voor het door hem gestichte liefhebberij tooneelgezelschap de Mityleners waarvoor de stof geput werd uit het derde boek van Thucydides.
[100]
Van “de verhinderde wraak van Cajus Martius Coriolanus” van Claas Bruin in 1720 voor den Amsterdamschen schouwburg vervaardigd, gedicht mogen we hier eigenlijk niet zeggen, want veel dichterstalent spreekt er niet in, is ook alweer de bron Grieksch en volgt hij geheel het model van Plutarchus.
[101]
Gerard Outhof rector te Kampen gaf in 1727 het door Spieghel in zijn tijd zeer bewonderde ‘levensverhaal van Cebes den Thebaner’ in dichtmaat uit met uitvoerige verklaringen. Zoo hoog als Spieghel het aanslaat zal het niet aangeslagen mogen worden, ik geef het slechts als een nieuw bewijs, hoe men zich telkens weer inspireerde op Grieksch model.
[102]
Als letterkundig product moge niet hoog staan, maar als bewijs van den ook hier te lande ingetreden kentering in de vereering van Aristoteles zij hier vermeld van Janus Montanus in 1701 afkomstig uitvoerig gedicht ‘Oorlog der Philosophen’ of de beroemde veldslag geslaagden tussen de vermaarde Aristoteles en den grooten Descartes’, dat van groote bekendheid met beide wijsgeeren getuigt en in zijn tijd, toen deze beide stelsels felle verdedigers vonden, groote belangstelling heeft gewekt.
[103]
Van Alpheon dichtte wel in den Anacreontischen trant, maar niet in Anacreontischen geest.
Beter slaagde Bellamy, die meer guitig naief in den Anacreontischen geest wist te blijven.
Nog beter slaagde tegen het einde der 18de eeuw E.J.B.Schonck eens rector te Nijmegen die eenige welgeslaagde proeven van Anacreontische oden heeft gegeven in zeer getrouwe, natuurlijk rijmlooze vertalingen van het Grieksch zelf.
Prof. Pieter Nieuwland Hoogleeraar te Utrecht, later Lector in Amsterdam [8] gaf in Orion verschillende gedichten uit het Grieksch, waaronder zijn vertaling van Anacreon’s Duifje alle vroegere vertalingen overtrof, Bilderdijk niet uitgesloten en volgens te Winkel ook later niemand hem evenaarde.
[104]
In den ‘Amsterdamschen Pegasus’ waren in het begin der 17de eeuw verraden de Velddeuntjens, die “t lantslevens wellust” verheerlijken bekendheid met Anacreon, Pindarus[9] en andere Grieksche dichters.
[105]
Ook justus de Harduyn 1582-1641 of liever reeds zijn vader en daarna ook hij zelf vertaalde en bewerkte de Anacreontische poezie.
[106]
Hooft voerde het herderspel in, uit Italië, maar het had ook alweer zijn oorsprong in Griekenland en de laat-Grieksche idylle zooals de ‘Daphnis en Chloe’, die in de herderswereld speelt evenals Achilles Tatius’ roman van Chlitophon en Leucippe oefenden op den herdersroman invloed uit, maar in de 15de eeuw ontstond uit de ecloga en den Griekschen roman onder invloed der muziek de pastorale of herderspel.
[107]
Van de vele verhalen in den “trou-ringh” van Vader Cats zijn vele geput uit Herodotus, Plutarchus, Diogenes Laertius, Athenaeus en Achilles Tatius.
[108]
Dirck Pers van Emden, voor wien Vondel aanvankelijk werkte, was behalve drukker-uitgever ook zelf dichter. Van hem hebben we Lucretia ofte het Beeldt der Eerbaerheydt, waarbij hij zich nauwkeuriger aansluit bij het Grieksch model van Dionysius van Halicarnassa dan aan het Latijnsche van Livius. Hij schrijft het uitdrukkelijk als een middel om de goede zeden te bevorderen.
[109]
In de Brabantsche Kamer gaf Karel Quina reeds in 1610 zijne uit het Fransch van Jacques Amyot vertaalde ‘Moorenlantsche geschiedenissen’ inhoudende de eerbare cuysche ende ghetrouwe liefde van Theagenes en Chariclea, oorspronkelijk in het Grieksch geschreven door Heliodorus.
[110]
Sophocles’ Electra was het eerste groote Grieksche werk, waar Vader Vondel zich aan waagde. Toen hield Seneca voor hem op, het voorbeeld van den tooneeldichter te zijn. 1639. Eerst in 1660 verscheen zijn vertaling van Sophocles Koning Oedipus en een paar jaar later gaf hij ook van Euripides een paar vertalingen Ifigenia in Tauren in 1666 en Feniciaensche of Gebroeders van Thebe in 1668 en in hetzelfde jaar de vertaling van Sophocles Hercules in Trachin, waarmede hij de Grieksche vertalingen besloot.
Vondel is eigenlijk de eenige geweest, die in de l7de eeuw Grieksche treurspelen heeft overgebracht en daarmee heeft getoond, hoezeer hij ook hierin anderen voor was.
Eenvoud en natuurlijkheid heeft Vondel tot de Grieken getrokken zooals hij in de vertaling van Hercules zegt.
Hij heeft Aristoteles regelen voor de tragedie wel in het oorspronkelijk gelezen en er zich steeds meer in verdiept. Hij heeft alleen zijn werken iets meer ethisch willen maken. Apostel als hij was.
Door zijn vasthouden aan de Aristotelische regelen is Vondel eenheid van handeling, eenheid van tijd en eenheid van plaats, al is dit bij Aristoteles niet zoo duidelijk uitgedrukt, is Vondel de strengste vertegenwoordiger der klassieke treurspel geworden.
In zijn Lucifer toont hij zich bekend met de werken over de Engelen van den Pseudo-Dionysius Areopagita en deelt hij naar dezen de Engelen in.
[111]
In 1653 werd door schilders en dichters de vereeniging gevierd van Apelles en Apollo. Vondel werd er door Apollo als zijn groote zoon met de lauwerkrans omhangen. Aan beiden werd gelijkelijk de heerlijksche Grieksche kunst ten voorbeeld gesteld. Vondel zeide zelf “Van Plutarchus heeft elk nu in den mont”.
[112]
Nadat al meer dan een halve eeuw de Latijnsche taal en letterkunde de geesten tot nieuwe werkzaamheid had geprikkeld kwam eerst in 1601 de levens van Plutarchus, van Marten Everaert in het licht.
[113]
Aristoteles Verhandeling over de Dichtkunst werd herhaaldelijk vertaald en uitgegeven door Bilderdijk, en later nog weer door Prof. Wyttenbach nagezien en met verklaringen van den Marburgschen Hoogleeraar Curtius in 1780.
[114]
In het begin van de klassieke periode onzer letterkunde gaf Heinsius een critische uitgave uit van Aristoteles’ geschriftje over de poezie (1611), waaraan hij een verhandeling ‘de tragediae constitutione’ toevoegde, die voor vele dramatische dichters o.a. voor Vondel het wetboek der kunst is geworden.
[115]
in de zestiende eeuw begint men ook in de Nederlanden zich dusdanigerwijze in de Grieksche letterkunde te verdiepen en daarin te denken en te leven, dat ook de godsdienst in een Grieksch kleed wordt gehuld. Beroemd is in onze landen Matthijs de Castelein en zijn Historie van Pyramus en Thisbe, tot viermaal toe gedrukt, waarin de liefdesverhouding van het klassieke stuk geheel in geestelijken zin wordt verstaan en uitgelegd. Christus wordt er ons geschilderd als Pyramus, Thisbe is de bruid van het Hooglied. Dezelfde taal spreekt een lid van de Amsterdamsche Eglentier Goossen ten Berch, die een bewerking gaf van hetzelfde stuk. Men spreekt van dood en hel in de beelden van ‘Charon, den helschen schipper’ naar een dialoog van Lucianus. In dezelfde lijn liggen de spelen van Leander en Hero naar de ons door Musaeus bekende Grieksche geschiedenis en Colijn Keyart’s spel van Narcissus en de Echo, al gaan deze meer naar den wereldlijken kant.
[116]
Spieghel was al niet meer tevreden met die vertalingen uit het Latijn of zelfs maar vertalingen in het Nederlandsch. Hij begon nog op lateren leeftijd Grieksch te leeren om de Grieksche schrijvers in het oorspronkelijke te kunnen lezen (1580).
[117]
Van Ghistele gaf een naar het Latijn bewerkte vertaling van Sophocles’ Antigone, in 1556 bij Simon Cock gedrukt en sinds in vele drukken opnieuw verschenen. Hij stelt daar den Griekschen dichter voor als een leermeester ook voor zijn tijd. Hij was de eerste, die bij ons smaak en moed genoeg bezat om Nederland het genieten van Sophocles meesterwerk in eigen taal mogelijk te maken.
[118]
Wat Coornhert deed voor de Odyssee, deed van Mander voor de llias. Ook hij vertaalde “de eerste 12 boecken van de Ilyados” niet uit het Grieksch, maar uit het Fransch. De vertaling gemaakt nog in het laatst der 16de eeuw werd eerst in 1611 na zijn dood uitgegeven.
[119]
Professor van Ginneken heeft enkele jaren geleden weer onze aandacht gevraagd voor de Nederlandsche vertaling van het Diatesseron, de Grieksche Evangeliën-harmonie van Tatianus waardoor ons ook al weder de Grieksche geest heeft ingeleid in het leven van den Goddelijken Verlosser. Men heeft van deze bewerking gezegd, dat de verheven eenvoud der Evangelien misschien in geen enkele andere Nederlandsche vertaling, van welken tijd ook zoo duidelijk uitkomt als in dit geschrift. Dat zulk een vertaling niet tot stand is gekomen zonder een volledige kennis van de Grieksche taal, zij het met gebruik van de Latijnsche vertaling van Victor van Capua, mag men bij de superioriteit der vertaling wel met grond besluiten. Het is een der weinig ons gebleven documenten van de hooge waarde welke aan de Grieksche cultuur in ons vaderland werd gehecht. Wij zijn nu eenmaal aangewezen op slechts hier en daar te vinden getuigenissen om zulke feiten vast te stellen.
- Typescript (NCI OP 96.81-119). A collection of papers with notes on the reception of the Greek philosophy and literature in the Netherlands. Brandsma used these notes for his speech on the occasion of the visit of Mgr. Georgios Chalavazis, Archbishop of Athens, 3 March 1936: Wat Griekenland voor Nederland was? ↑
- Probably Brandsma refers to: Ferd. Sassen, ‘Pseudo-Dionysius de Areopagiet, in: De Beiaard (Vol 4,1) 1919, 221-243. ↑
- Added with pencil: ‘“Bienboec” aan Aristoteles’ (See also footnote 10). ↑
- In the typescript erroneously ‘van’. ↑
- In the typescript erroneously ‘tegelijk’. ↑
- In the typescript ‘van Aeschylus’ is printed on top of the page, to be included in the text. ↑
- In the typescript erroneously ‘volgde’. ↑
- In the typescript erroneously ‘dichtte’. ↑
- ‘Pindarus’ is added later (typed behind the sentence). ↑
- The first lines of this pages are crossed out: ‘Bienboec, aan Aristoteles. Het is opmerkelijk, dat wij in deze landen al zoo vroeg meer dan eens den naam vinden van den ikonoklastes Joannes Damascenes’. This text was written to follow the text on page [82]. See footnote 3. ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026