1936
Laudatio
Jonge doctor, vir clarissime, frater carissime.
Gij weet, dat ik blij ben met u, dat deze middag is gekomen, dat ik U van ganscher harte geluk wensch met de academische erkenning van uw wetenschappelijken arbeid, uw promotie tot doctor. Gij hebt het verdiend, gij hebt er voor gewerkt.
Zeker, ik weet, dat uw vreugde over deze promotie niet onvermengd is, dat Gij, hoezeer men U thans den doctoralen graad waardig keurt, aan onzen Senaat meer hadt willen bieden, dan Ge gedaan hebt. Gij hadt dit mooie werk, waarin Gij pleizier hadt, gaarne geheel afgemaakt en daarin datgene opgenomen, wat er om een volledig beeld van Zerbolt te geven, bij hoorde. Gij hadt hem gaarne door een groot werk in drie deelen een monument opgericht als hij verdiende.
Ik verklap geen geheim, gij zijt er openlijk voor uitgekomen, dat Gij, toen Ge einde December voor de nieuwe school in Malang werdt aangewezen, daar met genoegen heen gingt, maar meendet, dat daarmede uw promotie van de baan was. Gij hadt er ook dat voor over.[2] Gij meendet in den korten tijd, die U nog restte, al was er iets gedaan, niet uw stof genoegzaam te kunnen verwerken om daarop een promotie te vragen. Gij wildet, dat uw werk aan hooge eischen voldeed. Ik heb eenige moeite gehad, U er van te overtuigen, dat zulks mogelijk was en U niet tot oneer strekken zou, dat U gerust voor den dag mocht komen met hetgeen U klaar had en nog klaar kon maken voor het Paschen was. Gij hebt tenslotte mijn optimisme overgenomen en zijt aan den arbeid getogen om er in den korten tijd van te maken, wat er nog van te maken was. Dat hebben we nu voor ons liggen. De Faculteit en de Senaat hebben geen oogenblik geaarzeld, U daarop den doctoralen graad te verleenen. Van verschillende zijden is mij tevredenheid over uw arbeid betuigd. Mannen van erkend gezag hebben mij gezegd en geschreven, bewondering te hebben voor het werk door U ons aangeboden, een knappe inleiding tot een volledig werk over Zerbold van Zutphen. Het is een bio-bibliographische inleiding, gelijk ik reeds gezegd heb, die aan hooge eischen voldoet, die nog niet alles zal geven, waarop altijd nog weder aanvullingen noodig en mogelijk zullen zijn, maar toch bijzonder verdienstelijk moet worden genoemd. Gij hadt meer willen geven, maar laat dit geen reden zijn, om uw vreugde over dit werk te temperen. Wat Gij niet hebt gegeven, zal een ander geven. Ik vertrouw wel iemand op mijn weg te vinden als Professor in de Geschiedenis der Nederlandsche Mystiek, die voortzet, hetgeen Gij zijt begonnen. Er is een goed begin gemaakt. Ik ben daar heel blij om. Het zal steeds een eer voor U zijn, den stoot te hebben gegeven tot een [6] zeer volledige monographie over Zerbolt van Zutphen. Ik betreur het geenszins, dat U zich tot deze bio-bibliographisch inleiding heeft moeten beperken en deze zoo goed heeft ineen gezet. Wat anders een hoofdstuk van dit boek was geworden, zal nu uitgroeien tot een nieuw proefschrift. Dit is daarom zoo belangrijk, omdat wij in Zerbolt van Zutphen den onmiddellijken leerling van Geert Groote en Floris Radewijnsz begroeten, die het eerst het prgram der Moderne Devotie heeft omschreven. Daarom heb ik er ook op aangedrongen, dat Gij zoo uitgebreide overzichten van zijn werken op zoudt nemen. Men spreekt zooveel over de Moderne Devotie. Wie kent er de juiste gedachten van? Het was meer dan tijd, dat de gedachten, gelijk Zerbolt die in het allereerste begin dezer geestelijke strooming omschreef, in de Nederlandsche taal voor elkeen, die belang stelt in deze beweging, toegankelijk werden gemaakt. Hoewel anders in een proefschrift zulke overzichten te lang zijn, waren ze hier door de omstandigheden allermeest gewenscht. Zoo draagt uw boek in niet geringe mate bij tot betere kennis van deze beweging, waarin we ons nu gaarne spiegelen, maar waarover nog niet zoo heel veel werkelijke bronnen ons ten dienste staan. Deze beweging eens de roem van Nederland en van onberekenbaar nut voor het geestelijk leven in deze landen, moge steeds meer ingang vinden, belangstelling en bewondering. Door daartoe mede te werken zijt Gij hier reeds missionaris voor Ge nog naar Indië zijt gegaan. Ik hoop van harte, dat gij uw missiewerk, uw leeraarsambt even waardig en even grondig vervult als Gij hier dezen geestelijken missie-arbeid hebt verricht. Zij is mij een onderpand, dat Gij ook daar schitterend werken zult. Gij hebt hier stoer gewerkt, wij hebben het op den Carmel van Nijmegen met bewondering en voldoening gadegeslagen. U wilde en U deed. Honderden brieven zijn er gegaan naar allerlei bibliotheken, reizen gemaakt, om alles zoo accuraat mogelijk te krijgen, terwijl het U toch weer niet bitter stemde, als er geen antwoord, half antwoord kwam. Met een bewonderenswaardig blij optimisme hebt ge gewerkt, zoolang het nog even kon. Ik feliciteer U met uw proefschrift, ik feliciteer U nog meer met de wijze waarop Ge het hebt geschreven. Als ik U feliciteer mag ik niet nalaten ook met een enkel woord uw Vader en Moeder, broers en Zusters geluk te wenschen, die voor het scheiden toch dezen blijden dag nog met U mogen beleven. Deze prestatie zal hen geruster stellen, dat Gij in Indië niet zoo licht onder het moeilijke van het werk gebukt zult gaan, dat gij ook daar uw optimisme [7] zult bewaren, en veel zult kunnen doen. Des te gereeder zullen zij berusten in uw heengaan, omdat dit werk hun zegt, dat uw werkzaamheid voor de Missie in Oost Java iets beteekent.
Maar dan mag ik ook het Bestuur onzer Provincie, hier zoo ruim vertegenwoordigd wel gelukwenschen, maar toch zeer in het bijzonder uw Directeur en mede-leeraar aan de A.M.S. die Ge 1 Augustus daar samen begint. Het zal hun goed doen, U vandaag in de bloemen te zien, het waarborgt hun mede den bloei van de school, waaraan Gij uw krachten gaat wijden.
Uw proefschrift heeft een sterke geestelijke strekking. Het wil medewerken om een roemrijke geestelijke strooming uit het verleden weer voor het heden kracht te geven. Ik mag daarom wel sluiten met den wensch, dat ook hierin uw ideaal verwezenlijkt worde en van uw boek, niet slechts een goede invloed moge uitgaan in dien zin, dat het tot verdere studie van deze beweging prikkele, maar ook de zegenrijke gedachten, in deze beweging leidend geweest, steeds meer ingang moge doen vinden.
Nogmaals jonge doctor, van harte gelukwgewenscht en Gods zegen op uw missiewerk, dat de lijn thans getrokken, door de nauwe verbinding met de beoefening van de wetenschap verder moge trekken tot heil van het ons zoo dierbare Indië.
- Typescript (NCI OP 96.14,5-7), 3 pages. Laudatio to Joannes (Theodorus Martinus Maria) van Rooij, O.Carm, at his PhD graduation, 25 May 1936. ↑
- The sentence ‘Gij hadt er ook dat voor over.’ is typed in the margin of the text, to be placed here. ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026