Inleiding op de Jugo-slavischen avond te Nijmegen

1933

Opening address

 

Inleiding op de Jugo-slavischen avond te Nijmegen 24 Oct. ’33

[1]

Het verheugt me, op dezen Jugo-slavischen avond te zijn uitgenoodigd tot een kort woord van inleiding als Voorzitter van het Apostolaat der Hereeniging. Vooral nu het onderwerp van dezen avond: ‘de positie der Katholieken in dit land’ wel zal doen zien, hoe scherp nog de tegenstellingen zijn, die twee groote groepen van Belijders van den Christelijken godsdienst niet slechts tegenover elkander stelt als onderscheiden groepen, op zich al een betreurenswaardig feit, maar bovendien in een verhouding van bijna openbare vijandige gezindheid. Ik zal niet vooruitloopen op hetgeen de spreekster van dezen avond U over de positie der Katholieken in dit merkwaardig, onder zooveel opzichten verdeeld land zal zeggen, ik vrees, dat haar schildering dier positie weinig gunstig zal zijn, al hoop en vertrouw ik, dat de lichtpunten niet zullen ontbreken en er tusschen de schaduwen, die er liggen en zeker vastgesteld moeten worden ook aan den horizon nog een straaltje van hoop, een lichtend perspectief zal overblijven. Cultureel is er in dit land reeds tegenstelling, hier ontmoeten het Oosten en Westen elkander. Er is, geloof ik, voor het werk der Hereeniging geen meer typisch land aan te wijzen, waar beide de Oostersche en de Westersche cultuur, elkaar nauwer ontmoeten en naar vermenging streven dan juist in dit nieuwe land uit de politiek, die den oorlog na den oorlog nog oorlog heeft doen blijven, geboren als een eenheid, waarvan de innerlijke tegenstelling maar moeilijk die eenheid handhaaft en laat voortbestaan. Hier is niet het eenvoudig onderscheid tusschen twee groepen, die een eenigszins andere opvatting hebben van de kerk van Christus, hier is met het verschil in godsdienstige opvatting verschil samengeweven in allerlei den godsdienst slechts van verre rakende zeden en gewoonten. Hier wonen twee volkeren samen, die elk een eigen leven leidden eeuwen lang, wier geest door een andere mentaliteit wordt beheerscht, twee groote groepen van deze kunstmatige eenheid, waarin misschien het verschil in godsdienst nog het minste verschil is, die wellicht in den godsdienst, zoo niet op het eerste gezicht, dan toch in den dieperen zin de meeste punten van aanraking hebben.

Geleid door den geest van het Apostolaat der Hereeniging zou ik naar dit merkwaardig land den blik willen richten, den vragenden blik, of de godsdienst, die nu als scherpe, zelfs zeer scherpe tegenstelling wordt gezien, niet het eerste [2] middel tot een nauwer aaneensluiting, een beter elkaar verstaan, een dichter tot elkander naderen zou kunnen worden. Het is haast niet te begrijpen, hoe de servisch-orthodoxe Christelijke kerk kan heulen met regeeringsmaatregelen, die de Katholieke kerk in haar meest vitale belangen raken, haar kloosterorden opheffen of onmogelijk maken, haar jeugdvereenigingen ontbinden, terwijl zij zich juist met de Katholieken moest verbinden om althans eenig tegenwicht te vormen tegen de Mohamedaansche meerderheid der bevolking en de weinig Christelijke instelling der Regeering. Ook de beteekenis en waarde der Mahomedaansche cultuur in deze door den Servischen geest overheerschte maatschappij is een probleem, waarop een buitenstaander maar moeilijk het juiste oog heeft. Dan zijn er velen, die slechts redding zien in den min of meer chaotischen toestand, die op velerlei gebied heerscht in dit rijk, wanneer het weer in zijn samenstellende elementen wordt ontbonden of althans de federatie een ander karakter draagt, een werkelijk federatief karakter. Wie weet het. Zijn de toestanden in de ondescheiden Balkan-landen voor den West-Europeaan als in een dikken, haast ondoordringbaren nevel gehuld, zien we voortdurend met vragenden blik naar Roemenië, naar Griekenland, en in dit verband ook naar Oostenrijk en Hongarije, wier bestaan en ontwikkeling zoo nauw met den toestand op den Balkan samenhangt, geen land is, althans voor mij een grooter probleem dan Jugo-Slavië, waar, om zoo te zeggen, abyssus abyssum invocat,[2] de eene tegenstelling voert naar de andere.

Ik geloof niet, dat ik daarin alleen sta. Uit het betrekkelijk niet zoo talrijk gehoor van dezen avond leide men ook niet af, dat niet velen dit probleem bezig houdt in hun geest, zeer velen hebben mij te kennen gegeven, het ten zeerste te betreuren, dat een samentreffen van verschillende zeer belangrijke vergaderingen hen verhindert, uiting te geven aan hun warme belangstelling in het onderwerp, dat hier hedenavond wordt belicht. Dr. Moller is van Tilburg gekomen om in het Dietsche probleem gewaardeerde leiding te geven, de Kath. Vrouwenbond heeft een uiterst belangrijke bijeenkomst, nadat zoo juist het Bestuur der Internationale Federatie van Kath. Vrouwenbonden te Nijmegen heeft vergaderd, hedenmiddag werden de talrijke Vondel-vrienden voor de inaugurale rede van Prof. Molkenboer reeds naar de aula der Universiteit geroepen, alle omstandigheden, welke de afwezigheid van velen verontschuldigen. Des te meer waardeer ik, dat niettemin toch vele vrienden van het Apostolaat der Hereeniging niet alleen, maar ook velen, die daaraan hun naam nog niet gaven, hier zijn gekomen om voorlichting in hun belangstelling voor een groote groep Christenen, ten deele een met de Katholieke Kerk, ten deele daarvan afgescheiden, [3] levend te midden van een voor de helft Mahomedaansche bevolking en in scherpe tegenstelling tot elkander. Waar gaat het heen met Jugo-Slavie? Wij lezen, hoe er maar moeilijk overeenkomst is te vinden met het Vaticaan, hoe de Regeering wel niet alle onderhandeling afwijst, maar toch de toenadering slechts schoorvoetend en niet zelden onderbroken door terugtreden gezocht wordt. En dat is nog slechts een eerste stap. Een stap van negatieve waarde, die de tegenstellingen een weinig zal verzachten. Wij moeten verder en vooral wij vrienden van de Hereeniging, wij willen verder. Wij zien in de orthodoxe­servische Christenheid broeders en zusters, die met ons gelooven in de goddelijke zending van Christus op aarde en van hem met ons redding verwachten ook in den schijnbaar hopeloozen toestand der maatschappij. Wij zien de toekomst van dit land allernauwst verbonden met het succes, dat het Apostolaat der Hereeniging er hebben zal en koesteren de stille hoop, dat langs dezen weg eenheid is te verkrijgen en tegelijk een grondslag van waren vooruitgang in dit door den oorlog verscheurde en geteisterde, maar door de innerlijke verdeeldheid zeker niet minder verscheurde en geteisterde land.

Maar wij zien den uitweg niet, wij weten niet, hoe het staat, zelfs. Onze hoop, wellicht vertrouwen, is al te weinig gefundeerd in de kennis van de juiste feiten. En daarom zijn wij blijde, dat hedenavond licht in dit duistere probleem ontstoken wordt door iemand op bijzondere wijze bevoegd, dat licht voor ons te ontsteken. Wat baten ons ijdele droombeelden.

Waar het zoo moeilijk is, over dit land en zijn volk en over de toestanden, waaronder het leeft, een juist oordeel te vellen, daar begroeten wij U, Mejuffrouw Gerra van den Boogaard op bijzonder hartelijke wijze, omdat U met eigen oogen heeft gezien, hoe het is, de leidende personen van nabij in hun werk heeft gadegeslagen, met hen heeft gesproken, uit hun mond hun verwachtingen zoowel als hun teleurstellingen heeft opgevangen en wat meer is, daarheen zijt gegaan, nu ja, geheel in onzen geest, als een apostel, om het volk te leeren kennen, zijn zeden en gewoonten, zijn aspiraties en idealen, om daardoor geleid onder ditzelfde volk te werken daar en hier – want met duizenden zijn ze in onze Mijnstreek – en de wegen te leeren kennen, waarlangs dit volk met Christus kan verbonden gehouden, met Christus opnieuw kan worden verbonden – en ik mag het wel uitbreiden – voor allen in dit volk, die in Christus gelooven, den Christus weer te doen stralen in zijn ware grootheid, die tenslotte maar een is en in de vereeniging in zijn eene Kerk slechts ten volle wordt gekend en tot haar recht komt. Zoo begroeten wij U als een, die dit volk liefheeft, die voor dit volk groote offers [4] voor dit volk heeft gebracht, en omdat uw leven als het ware door de liefde tot dit volk is bepaald en beheerscht, voor ons de welkome persoon is, die ons over dit volk zou kunnen spreken in den geest, waarmee wij tot dit volk willen gaan, in den geest van warme en broederlijke belangstelling, in de zucht zoo mogelijk iets te doen om aan dit volk den eenigen grondslag voor een nieuwen opbloei, Hereeniging in den godsdienst, in den Christelijken, den Katholieken godsdienst, te hergeven langs de wegen, welke de geschiedenis en de huidige toestand het meest wenschelijk maken en doeltreffend.

Wij vatten deze vergadering allerminst op als een protestvergadering tegen onrecht, dat de Kerk mag zijn aangedaan, wij willen niet wit noemen, wat zwart moet heeten, maar wij willen toch op de eerste plaats hier samenzijn in liefde, hooren spreken van nood en onrecht, om door liefde en medelijden eenerzijds, anderzijds door hoop en vertrouwen gedreven te zinnen op wegen, waarlangs hier weer uitkomst te verwachten is in problemen, die menschelijker wijze gesproken haast onoplosbaar schijnen.

Omdat de beschrijving van Mej. Gerra van den Boogaard, ineens voorgedragen, wellicht te veel vermoeien zou, ben ik blij, dat Mej. Alard en de heer van der Staay haar in de gelegenheid hebben gesteld, deze lezing te onderbreken en haar lezing doen voorafgaan, onderbreken en besluiten met den zang, door muziek begeleid, van liederen, die geheel in het kader van de lezing passen. Ook hen beiden een hartelijk welkom.

Ik mag dit inleidend woord als Voorzitter van het Apostolaat der Hereeniging niet besluiten zonder een woord van oprechten dank voor de Commissie van Samenwerking niet het minst aan haar Voorzitter den heer Nijst en haar Secretaris den heer Mr. Holla, die deze vergadering met zooveel toewijding voorbereidden. Voor de geboden samenwerking een woord van hulde en oprechten dank. Zoo moge met aller samenwerking, dan op dit, dan weder op dat terrein het Apostolaat der Hereeniging steeds meer vrienden en steun vinden en daarmede zijn geest van vereeniging en hereeniging steeds meer ingang vinden, opdat de bede vervuld worde, welke het Apostolaat der Hereeniging Christus naspreekt: Dat allen één zijn.

 


  1. Typescript (NCI OP96.6), 4 pages. Introduction at a meeting in ‘De Vereeniging’, Nijmegen. See: Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 24 October 1933.
  2. See: Psalm 47:2 (VUL).

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026