Wijd open het hart voor den Heiligen Geest

1928

Preface

 

Wijd open het hart voor den Heiligen Geest

[1]

Vondel bezong ons “de Heerlyckheit der Kercke“ en bejubelde den luister van haar “ingang, opgang, ende voortgang”.

Met dien luister kunnen we slechts het licht vergelijken van de zon, die de natuur in gloed zet, groei en bloei geeft aan alwat leeft, de wereld omtoovert in een andere wereld.

En gelijk het licht der zon, in een kristal gebroken, zeven kleuren te aanschouwen geeft, zoo is de luister van de Kerk één schittering van zeven gaven van God den H. Geest.

Dat is haar glorie en haar luister, dat zij leeft uit zijn kracht. Bewonderen wij de Kerk, zijn wij opgetogen over haar heerlijkheid en zoeken wij daarvan het diepste geheim, wij moeten den blik richten naar den Geest Gods, die Zich in haar wil openbaren.

In het Scheppingsverhaal lezen wij, dat de Geest Gods zweefde over de wateren der woeste en leege aarde en de volgende regelen vertellen ons van straling van licht, ontluiking van leven.

Voor korten tijd.

Wat de Vader, door den Geest van liefde gedreven, voor ons, zijn kinderen schiep, wij braken het in onverstand aan stukken en traden nog het gebrokene in het slijk, zoodat zelfs in de scherven de zon niet kon glanzen.

Maar weer zweefde de Geest Gods over de aarde en de Aartsengel Gabriël bracht aan Maria de boodschap: De H. Geest komt over U, de kracht des Allerhoogsten overschaduwt U.

En ontvangen was de Verlosser der wereld, die den mensch de vriendschap met God hergaf, door Wien en in Wien wij weder met God vereenigd zijn om het eeuwig te blijven.

De zon was weder opgestaan, de wereld omgetooverd in een andere wereld.

Toen was de Kerk in haar diepste wezen gesticht, de vereeniging tot stand gekomen van den mensch met God in bovennatuurlijk leven. Het mystieke lichaam van Christus, waarin wij, leden der H. Kerk, één zijn, was ontvangen. Het moest zich nog in zijn leden ontwikkelen, maar reeds straalt ons de heerlijkheid tegen, waartoe de Geest van Gods liefde het [10] bestemde, de heerlijkheid, één te zijn met God, in zich de macht en de goedheid, de kracht en de liefde van God te openbaren.

Wie in de Kerk niet de openbaring ziet des H. Geestes, ziet de Kerk niet in haar eigenlijke schoonheid, doorziet niet haar pracht, peilt niet haar wezen. Voor hem breekt het licht niet in de duizenden facetten van den kostbaren diamant om in rijke tinteling van kleur en gloed uit het diepst van den steen weer tot hem terug te keeren, het blijft aan de oppervlakte, ongebroken, zonder schittering en glans.

Wij kunnen de Kerk beschouwen als een machtige organisatie, als een factor van cultuur en beschaving, als een eenig verschijnsel in de geschiedenis der menschheid; wij kunnen de schitterendste bladzijden schrijven over hetgeen de Kerk in den loop der eeuwen tot stand bracht; met dit alles zouden we niet in strijd zijn met de waarheid, maar toch die waarheid oneer aandoen door haar ten halve te geven.

Ook de H. Paulus somt de gaven op, waardoor de leden der eerste Kerk zich onderscheidden en aan de pas ontloken bloem geur en kleur schonken. Maar hij voegt er aanstonds bij, dat die verscheidenheid van gaven alle mededeeling zijn van eenzelfde Geest, den Geest van oneindigen rijkdom, den H. Geest.

Is dit het diepe geheim van de “Heerlyckheit der Kercke“, dan is het besef daarvan de zekerste waarborg van haar bloei. Men heeft dit anders uitgedrukt in de woorden: De Kerk zal bloeien, naarmate in haar liefde en de godsvrucht leven tot den H. Geest. En wat gezegd wordt van de Kerk in het algemeen, wordt toegepast op elken Katholiek, wiens katholiek leven zijn diepsten grond mist, als het niet in een hechte godsvrucht en liefde tot den H. Geest is geworteld.

Is dan de werking van dien Goddelijken Geest niet alles overheerschend? Is dat vuur niet alverslindend? Is de kracht van dien stroom niet alles overweldigend?

De almachtige God, die om ons te verlossen mensch werd, wil in de orde der genade de menschelijke medewerking. Zijn Kerk, een goddelijke instelling, is tegelijk een gemeenschap van menschen, aan welke zijn genade door menschelijke bemiddeling wordt geschonken. Een overvloed van genade, een rijkdom van leven wordt over ons uitgestort, maar God vraagt bemiddeling en medewerking, gesteltenis en ontvankelijkheid. Het is, of God zijn macht beperkt, den gloed van zijn liefdevuur tempert, den stroom zijner genade indamt binnen de grenzen, welke de mensch daaraan stelt.

Wij moeten dus ons hart verwijden en treden buiten de enge grenzen [11] waarbinnen ons leven zich afspeelt. De Geest Gods moet vrij spel in ons hebben om door ons heen te waaien, opdat Hij ons vervulle zoo wijd en zoo breed als ons hart, voor het oneindige geschapen, maar toelaat.

Als wij bidden: “Kom H. Geest”, dan moeten wij allereerst vragen om de verbreking onzer enghartigheid. De frissche wind staat op deuren en vensters onzer bedompte zielewoning, wij stikken in de benauwde atmosfeer van het aardsch geleid bestaan, maar verzuimen de afsluitingen open te werpen en den adem des H. Geestes door ons hart te laten gaan.

Wij weten, wij gelooven, dat wij in staat van genade zijn, dat wij leven in de bovennatuurlijke orde, maar wij zijn er niet van doordrongen, dat dit beteekent, dat Gods Geest in ons woont, oneindig in macht, onstuimig in liefde, maar aan banden gelegd door onze onontvankelijkheid.

Wij luisteren niet naar zijn stem, laten ons niet leiden door wat Hij ons influistert, in één woord, wij weten ons niet één met Hem en leven niet door Hem, in Hem, met Hem.

En toch, dat is het eerst noodige om waarlijk Katholiek te zijn.

De Kerk zal nog rijker en heerlijker bloeien, als haar leden kans tot ontplooiing geven aan de levenskracht, die in de genade des H. Geestes in hen schuilt. Dan zal zich nog schitterender openbaren, tot wat heerlijks en groots wij, kleinen, in staat zijn.

God is met ons, als wij God slechts ruimte geven in ons toch zoo wijde hart.

De Kerk bloeit. Haar heerlijkheid maakt zelfs haar vijanden tot haar benijders.

Maar wat bloeit, dreigt te verflensen.

Naast bloemen vol geur en kleur, staan andere, waarvan de eerste schoonheid reeds heenging en in het groen van spruit en blad steken verschrompelde stengels en dorre bladeren.

Hoe noodig is het, dat in den tuin der Kerk steeds de stroom van genade de dorre aarde van ’s menschen hart drenke en wat wind en regen, wederwaardigheid en droefheid neersloeg, door de koestering der zon weer wordt opgericht, opdat het haar weldadige warmte drinke en strale in haar glans.

En daarom is het niet genoeg, te juichen en te jubelen over de grootheid van den H. Geest, die zich openbaart in al het schoone, dat wij in de Kerk aanschouwen, het hart moet open, wijd open staan voor zijn werking, de menschen moeten alom den H. Geest aanbidden en vereeren, hun hoop stellen op zijn alvermogen, Hem liefhebben met geheel hun hart, zich zijn woonstee, zijn tempel weten, de plaats, waar Hij werkt, waar Hij heer is en meester, waar Hij leidt en bestiert. [12]

Dit besef is bij al te velen verflauwd. Leefde het in zijn wijdste wijdheid, wij zouden andere dingen zien. Wij bidden niet zonder zin, dat God zijn Geest moge zenden en alles herschapen en het aanschijn der aarde vernieuwd zoude worden.

Het is een levensbelang voor de H. Kerk, dat in de harten der geloovigen het Rijk van den H. Geest zich handhave en het steeds worde uitgebreid.

Gelukkig – hoe kon het anders – het heeft nooit ontbroken aan apostelen die den menschen spraken van de wondere gaven des H. Geestes.

Maar onze tijd van vervlakking en verstoffelijking heeft aan die apostelen wel bijzonder behoefte.

God voorzag er in.

Een Congregatie, wel haast over heel de wereld verspreid, honderden priesters en broeders , hebben zich de uitbreiding van het Rijk des H. Geestes in de harten der menschen tot bijzondere taak gesteld.

Zij vervullen een heerlijke roeping, een providentiëele zending. Zij zijn een nieuwe waarborg voor den bloei der H. Kerk, een nieuw bewijs, dat Hij met haar is in alle tijden.

Ook Nederland heeft zijn Paters van den H. Geest en ook hier vervullen zij de verheven taak welke hun Congregatie zich stelt. In woord en geschrift, in boek en blad verspreiden zij de zoo noodige, zoo bovenal vruchtbare godsvrucht tot den H. Geest.

In de Nederlandsche uitgave van het prachtwerk van Pater Meschler, S.J. over de heilige Pinkstergave, heeft de onvermoeide Leeraar aan het Missiehuis van den H. Geest te Weert, Pater Julius Teernstra[2], getracht, ook een bijdrage te leveren ter bereiking van het ideaal zijner Congregatie.

Hij heeft daardoor dit ideaal nader gebracht.

Wie leest dit mooie boek zonder tot liefde tot God den H. Geest te worden opgewekt?

Wij behoeven hier niet de poging te loven, onzeker van het resultaat. Wij mogen vrij “de uytcomst rekenen” en den vertaler niet alleen hulde brengen voor zijn moeizaam werk, maar hem gelukwenschen tevens met de zekerheid, dat hij iets heeft gedaan, dat zijn roeping en niet slechts de zijne, maar ook die zijner Congregatie vruchtbaar heeft gemaakt voor “de Heerlyckheit der Kercke” in Nederland.

Dat bekome van haren Bruidegom de Moeder der Goddelijke Genade.

Nijmegen, 15 Augustus 1928.

Titus Brandsma, O.Carm.

 


  1. Preface, published in: M. Meschler, S.J., De Heilige Pinkstergave, Weert 1928, p. 9-12. Also published in: De Nieuwe Eeuw, 30 august 1928; and: De Bode van den H. Geest, (Vol 24 no.11), November 1928, p. 241-244.
  2. [TB] In Aug. 1928 werd P. Teernstra benoemd voor de Missie Noord-Katanga, Afrika.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026