In memoriam
1928
Prof. Mag. G. de Langen Wendels, O.P.
Ter nagedachtenis
Prof. de Langen-Wendels dood.
’t Klinkt hard. En ’t is ’t ook, want allen, die hem kenden, hoopten nog, dat hij herstellen zou, gelijk hij herstelde zeven jaar geleden, toen ook een ziekte hem aan den rand bracht van het graf.
’t Is wel een droefenis, dat hij is weggeroepen. Wij hadden hem nog zoo gaarne in ons midden gehouden, hem, met zijn stuwende kracht, met zijn breeden blik en heerlijk optimisme, met zijn onuitputtelijke energie en nooit gemiste bereidwilligheid, hem vader, vriend en broeder tegelijk.
Ik spreek het gaarne uit, een hooge vereering droeg ik jegens hem in mijn hart en weinigen stegen zoo hoog in mijn achting. Groot was hij bij al zijn eenvoud, levenswijs en vol ervaring bij al de kinderlijkheid van zijn oprechte ziel, welbedacht bij zijn soms radicale spontaniteit, sterk zich zijn roeping en apostolische zending bewust bij al, waarin men beslag op hem legde.
Met nog jeugdige veerkracht betrad hij tot voor enkele weken de collegezalen der Universiteit en de vergaderzalen van stad en land. De zwarte mantel, die op straat het witte habijt aan het oog onttrok en hem in ’t sprekende gewaad toch haast onopgemerkt in de menigte deed voortschrijden, werd, als hij ’t woord moest voeren met kracht teruggeworpen om hem in levendig gebaar en breed uitgestrekte armbeweging het woord te doen onderstreepen, dat ik rijke welsprekendheid warm en overtuigend handelde over zoo menig onderwerp. En dan tintelden zijn felle oogen onder de borstelige donkere wenkbrauwen, dan stak de kin de gepunte baard vooruit of werd die door de hand nog scherper toegespitst, een beeld van de scherpte, waarmede hij het gedachte in woorden uit zijn mond deed vloeien.
Wat zag hij veel op zijne wijze. En wat verraste hij ons vaak met een origeneele kijk.
Zijn jarenlang verblijf in het buitenland, zijn bijna vijf-en-twintigjarig professoraat aan een zoo internationale universiteit als Freiburg, deden hem veel dingen eenigzins anders zien, dan wij hier in de lage landen aan de zee gewoon waren, die te bekijken. En hij hield er niet van, zijn meening te verzwijgen of de gelegenheid voorbij te laten gaan, om de zaak, welke hij anders zag, ook voor anderen in nieuw licht te stellen.
Men schrok wel eens van zijn waarschuwend of afkeurend woord, als het dingen afkeurde, waarvan we meenden, dat ze nou eenmaal zoo waren en zoo wel moesten worden genomen. Men vreesde wel eens, dat hij afdwaalde, als hij teruggreep in het verleden of tot de eerste beginselen wilde terugvoeren. Hij zag een vraag altijd verbonden met een heele massa vragen en meende geen antwoord te mogen geven, als hij niet eerst afdaalde tot wat hij van de vraag de kern achtte. Men was maar zoo niet van hem af, als men hem iets vroeg, omdat zijn veelzijdigheid allerlei nevenvragen aan de orde stelde en in het geding betrok. Maar die breedheid, laat het een enkelen keer wat breedsprakigheid geweest zijn, was geen onbeslistheid. Neen, hij had zijn welgevormde meening en gaf die over heel veel zaken met groote vrijmoedigheid. Ik zal hem in al die meeningen geen onfeilbaarheid toeschrijven. Hij zal zich hier en daar, zij het minder in de theorie, misschien een enkelen keer in de oogenblikkelijke toepasselijkheid van bepaalde beginselen hebben vergist, hij zelf was de eerste om daarvan de mogelijkheid te erkennen, maar zijn mening gold en had waarde. Zij was overwogen en getoetst, niet aan gevoel maar aan de eerste beginselen. En zoo werd zijn oordeel op hoogen prijs gesteld, van vele zijden gevraagd en besproken, zoo was hij een figuur, die iets beteekende in het openbare leven, een figuur, die we in de eerste jaren zeer zullen missen.
Allereerst in de wetenschap.
Hij heeft geen dikke boeken geschreven. Zijn publicaties zijn meest kleinere gelegenheidsgeschriften, breed opgezet en goed gedocumenteerd, in haar verscheidenheid uitingen van zijn veelzijdigen en bewegelijken geest, tot groote wetenschappelijke werken is hij niet gekomen. Maar dat zegt allerminst, dat hij de wetenschap niet met hart en ziel beoefende en voor haar geen groote verdienste heeft. Voor de godgeleerde wetenschap is zijn heengaan een groot verlies, kleiner slechts, naarmate blijken zal, dat hij school maakte. Hij heeft de breedte en de diepte gehad om het vak, hem toevertrouwd en al te zeer geworden een encyclopedie van casuistiek, weer te doceeren als een wetenschap, het tot de leidende beginselen terug te brengen en er een synthese in te maken. Daaraan was men in Nederland ontwend. De omstandigheden hadden er toe geleid. Maar daarom was het zoo gelukkig, dat juist een man als de Langen-Wendels de eerste Hoogleeraar werd in de Moraal-Theologie aan de Katholieke Universiteit, omdat nauwelijks een ander, in een andere sfeer gevormd en onder invloed der traditie, dit vak zoo breed en synthetisch zou hebben gegeven. Hij was een volgeling van Sint Thomas, maar een, die Thomas’ leer zag leven en geen Thomas kon verdragen in de historie verstard. Ook in het Thomisme zag hij met zijn synthetischen geest de leidende beginselen, waartoe hij steeds weer trachtte terug te keeren en waarop hij niet alleen de antwoorden op de hedendaagsche vragen der Katholieke Zedenleer, maar ook die der Sociologie wilde gegrond zien. Dit deed hem met groote zekerheid en beslistheid stelling nemen in zoo menig sociologisch vraagstuk en was ook de diepste ondergrond, dunkt me, van zijn geestdrift voor de actie. Hij zag de vruchtbaarheid der beginselen en zijn geschiedkundige kennis deed hem zien, hoe deze ook nu nog vruchtbaar konden zijn. Zijn liefde tot den evenmensch naar het voorbeeld en op het woord van Jezus drongen hem er toe, hetgeen hij inzag als gewenscht tot verwezenlijking te brengen.
Zoo was hij op en top een man van actie, onvermoeid en steeds bereidvaardig, toegankelijk en ontvankelijk. Vooral drie punten trokken zijn aandacht en vroegen telkens weer zijn belangstelling. Op de eerste plaats wel het lever der studenten. Hij stelde in hen een ongemeen belang en kon het niet aanzien, dat daarvoor niet de meest gunstige sfeer geschapen werd. De studenten hier mogen het niet altijd hebben begrepen, wellicht niet eens hebben geweten, evenmin als anderen, hoe hartstochtelijk hij hen lief had en offers voor hen bracht, als eens in Freiburg, het valt niet te ontkennen, dat ook in deze zijn naam iets beteekent. Hij had een hooge opvatting van het studentenleven en een warmkloppend hart voor al hetgeen naar zijn meening tot bloei van het studentenleven kon bijdragen. Herhaaldelijk sprak hij voor de studenten niet slechts, in den tijd, dat hij te Freiburg was, voor de studenten in Zwitserland, maar ook in Nederland, ook in België. Van het internationaal studentenverband ‘Pax Romana’ was hij in zijn Freiburgschen tijd de ziel.
Een zeer voornaam aandeel had hij ook in de ontwikkeling der Katholieke Vrouwenbeweging. Voor de ontwikkeling der vrouw stichtte en leidde hij jaren lang te Freiburg een ‘Ecole des Hautes Etudes’, waaraan zijn geestdrift en tact spoedig vele Hoogleeraren der Freiburgse Universiteit verbond en met hem deed samenwerken tot wetenschappelijke vorming van vele Katholieke vrouwen. In Nederland teruggekeerd zien wij hem ook hier den grooten vriend van den Katholieken Vrouwenbond, telkens weer in allerlei vergaderingen door hem begeesterd voor haar schitterend maar moeizaam bereikbaar ideaal.
De laatste paar jaar eischte echter het werk voor het behoud van de vrede de inspanning van al zijn krachten. Hij is geworden een Vredesapostel, gelijk er nauwelijks een tweede zal zijn aan te wijzen. Onvermoeid was hij voor het behoud van den vrede. En zielig was het, hoe de gedachte aan dit zoo geestdriftig ondernomen vredeswerk hem in de uren van ijlkoorts bezighield tot de laatste dagen voor zijn dood. Het was treffend voor dezen man, te zien, hoe hij in hevige pijnen nog worstelde om den vrede en de rust voor anderen.
Den vrede, dien hij, de Prediker van Gods Zedenleer, den menschen op aarde heeft willen brengen als vrucht van het Heilig Katholiek Geloof, dien vrede heeft hij zelf als vrucht van zijn geloof en liefde thans ontvangen in den Hemel, daarop vertrouwen wij. En wij bidden den Koning des Vredes, dat Hij zijn heraut – want dat was hij – den vrede schenke, waarin hij eeuwig ruste.
Nijmegen, 15 Jan. 1928.
Titus Brandsma, O.Carm.
Naschrift. Nadat de strijd was uitgestreden en het afgestorven lijk was opgebaard, deed ik een stil gebed in de kamer, waar het werd neergelegd. In gedachten ging ik naar huis. Ik schreef er de regelen, die hier voorafgingen. Daarna las en hoorde ik van ’t verzoek van den overledene, “aan den couranten en aan de autoriteiten der Universiteit, zich van alles te onthouden wat naar hulde zweemt, en alleen aan mijne vrienden en bekenden te vragen hun stil gebed voor mijn gelukkige eeuwigheid en de vergiffenis van mijn zonden.” Zou ik hetgeen ik schreef verscheuren? Een oogenblik had ik er bekoring toe. Ik zou hem in den dood niet onaangenaam willen zijn. Hij vroeg van vrienden en bekenden een stil gebed. Ik knielde er voor neer. En zweemt dit woord naar hulde? Niet om hem te huldigen schreef ik, ik begrijp, dat hij er om lachen zou daar boven van het hoogste van de hemelen, maar ik schreef omdat het voor vrienden niet aangaat te zwijgen, als er een vriend is heengegaan. Waar het hart van vol is, loopt de mond van over. Hoe meer eens Jezus verbood zijn weldaden te verhalen, des te meer verkondigden ze de begenadigden en Hij hield daarom niet op, hun weldaden te bewijzen. Hij deed het slechts niet om hun lof. Zoo moge ook uit het woord van Prof. Mag. de Langen-Wendels spreken, dat hij zijn leven zoo hoog niet instelde om den lof der menschen, zonder dat het ons verhindert, nog even over hem te spreken tot zijn vele vrienden, stoute kinderen, die niet stil kunnen zijn, al schudt de Magister het hoofd.
T.B.
- Published in: De Nieuwe Eeuw, 19 January 1928 (n. 543), p. 483. (See also NCI OP 30.1 – in these archives the text fragments are jumbled up). ↑
© Nederlandse Provincie Karmelieten
Published: Titus Brandsma Instituut 2026