Waarde Promovendus [Joannes van Rooij]

1936

Question for the PhD graduation

 

[1]

Waarde Promovendus, Proefschriften komen op verschillende manier tot stand. Ik mag U zeggen, dat de wijze, waarop U het uwe is begonnen en heeft voltooid, voor den promotor wel een bijzonder aangename is. Nu waren de omstandigheden gunstig.

Bij uw studie ging uw liefde uit tot een object, dat mijn gedachten reeds jaren bezig hield, dat ik zelf zou hebben willen behandelen, maar waarvoor ik geen tijd vond, waar ik een tijdlang college over gaf, waaraan in een werkcollege uw medestudenten met U aandacht schonken, handschriften en drukken [b]eschreven.[2] Het was maar een heel bescheiden begin, maar het interesseerde U en prikkelde U om in die richting verder te gaan. U bleef aan de figuur van Zerbolt aandacht schenken, maakte scripties over hem en zijn tijd. Collega van Ginneken, bij wien U Nederlandsch studeerde, bevorderde, dat deze studie eveneens ging in de richting van de geestelijke literatuur der middeleeuwen, in het bijzonder van de 14de en 15de eeuw. Zoo kwam er eenheid en werd geleidelijk dit proefschrift voorbereid. Na uw doctoraal examen kon uw werk daarop meer worden geconcentreerd en wij verkeerden in de gelukkige omstandigheid, dat we nog geruimen tijd in een huis samenwoonden, terwijl, toen U leeraar werd, U geregeld bij mij kwam en wij gelegenheid hadden, uw proefschrift geregeld – om de 14 dagen wijdden we er den Zondag aan – te bespreken. Doordat wij alles uitvoerig en rustig met elkander bespraken[3] en U de kunst verstond, steeds aan de door mij geopperde bezwaren en aanmerkingen tegemoet te komen,[4] is er in uw proefschrift moeilijk iets te vinden, waarop ik U nu kan aanvallen. [5] U is mij om zoo te zeggen voor geweest. Al heb ik echter aan uw proefschrift voortdurend aandacht geschonken, toch ontsnapt nog wel eens iets, dat nader bezien, gelukkiger had kunnen worden geformuleerd. Zoo meen ik een alinea te moeten wraken, waarin U het heeft over hetgeen naar uw meening als het zwaartepunt van Zerbolts spiritualiteit mag worden beschouwd. Ik zou U willen vragen op te slaan blz. 265.

Ik zou ook op leemten in uw boek kunnen wijzen, althans hier openlijk kunnen zeggen, dat ik graag meer door U in een proefschrift over Zerbolt had behandeld gezien, ik mis zijn plaats in den tijd, waarin hij leefde, de bronnen, waaruit hij putte, den invloed, dien hij uitoefende. Gij weet, dat ik er op aan- [2] gedrongen heb, dat Gij deze punten uw aandacht zoudt schenken en er een hoofdstuk of meer aan zoudt wijden. Maar ik weet ook, dat U dit gaarne hadt gedaan, zoo U er de tijd voor was gebleven. U vond zelf, dat dat er bij hoorde en hadt het in het program van uw werk opgenomen. Gij begreept, dat het werk zonder deze hoofdstukken niet af was, maar vooreerst vroeg uw bio-bibliographische inleiding zooveel plaats en tijd en werk, dat uw boek al haast over de gewonen omvang van een proefschrift uitgroeide, maar – en dit is voornamer – vroeg deze reeds zooveel wetenschappelijken arbeid, dat ik met een gerust hart berust heb in het afbreken ervan, deze inleiding was wetenschappelijk genoeg om als proefschrift te worden aangeboden.[6] Te eerder heb ik daarin berust, omdat er in uw benoeming aan de A.M.S. te Malang in Oost Java een grondige reden lag om U in de stof een beperking op te leggen, welke zeker ook door U niet ideaal werd geacht, maar omdat er nog zooveel overbleef, toch beperking ultra fines mag worden genoemd, integendeel. U heeft er nog werk genoeg aan gehad. Ik wil dan ook niet – het zou onbillijk zijn – op deze leemten van uw studie nader ingaan en ook mij de beperking opleggen, waarin ik voor U berust heb.

Ik kom dan tot blz. 265. Met een, die in uw voetstappen treed, hoop ik dan te zijner tijd van gedachten te mogen wisselen, waarover ik anders graag met U gesproken had. [3]

Zerbolt is de groote man van de Moderne Devotie en mag gelden als de eerste, die in vrij breed opgezette werken van geestelijke strekking in groote lijn de gedachten heeft geformuleerd, welke moeten geacht worden leidend te zijn geweest in de eerste opkomst van deze geestelijke strooming, terwijl hij in een viertal kleinere geschriften deze behandeling nog heeft aangevuld. U zegt op blz. 265: Waar nu precies het zwaartepunt van Zerbolts spiritualiteit gelegen is, daarover kan men natuurlijk in bijkomstigheden van meening verschillen. O.i. ligt de groote verdienste van Zerbolt hierin, dat hij de methodische meditatie algemeen bekend gemaakt en gepopulariseerd heeft, zooals geen schrijver voor hem.

Nu is het heel juist, dat in de Modenne Devotie het bevorderen van het methodisch gebed als een der hoofdpunten, zooniet als het meest karakteristieke geldt, dat den grondslag vormt voor hetgeen aan andere kenmerken de Moderne Devotie als geestelijke school typeert, maar ik meen, dat men dan het woord gebed in wijderen zin moet verstaan, zooals U zelf ook doet, als U op dezelfde bladzijde tegenover elkander stelt de oratio acquisita en de oratio infusa. Daar beperkt U het volstrekt niet tot de meditatie, maar ziet daarin het geheele gebedsleven tot in zijn hoogste bekroning in het mystieke leven, ja, juist als den weg daartoe. U zegt dan ook op de volgende bladzijde: Het standpunt van de Moderne Devotie in het mystieke leven kan wellicht het best worden samengevat als volgt: De deugd voert naar mystiek, maar meer als mogelijkheid dan als werkelijkheid. Vandaar dat in de geschriften der Devoten zoo weinig over de hoogere trappen van het gebedsleven gesproken wordt.

Het komt mij voor, dat U bij het nadruk leggen en wijzen op het methodische, dat Zerbolt vraagt voor de meditatie, en dat eigenlijk niet meer is dan een onderdeel, voortvloeiend uit het algemeen standpunt met betrekking tot het geheele gebedsleven, met inbegrip, zeker in deze school, van het deugdleven, daardoor aanleiding geeft tot een misverstand, dat ik zou betreuren nl. dat Zerbolt het middel met het doel heeft verwisseld, aan de meditatie, hoe voornaam ook, een onevenredig ruime plaats heeft ingeruimd en zoo in de hand werkt, dat men de Moderne Devotie houdt voor een school om de meditatie op een bepaalde, nl. meer methodische wijze te houden, terwijl toch eigenlijk de opzet veel en veel breeder was.

Het was m.i. beter geweest, dat u op blz. 265 in plaats van te zeggen, dat Zerbolts groote verdienste ligt in het bekend maken en populariseeren van de methodische meditatie, [4] die verdienste gelegd had in zijn bevordering van methode in den opgang van het geestelijk leven, waaruit dan voortvloeit, dat dit op de eerste plaats geldt van de meditatie, die zulk een voorname plaats in het geestelijk leven inneemt.

U moge zoo goed zijn, dit bezwaar even onder de oogen te zien, ik vermoed, dat U het met mij eens is, maar ik zal dit toch gaarne van U vernemen en nader omschreven zien op deze promotie.

 


  1. Typescript (NCI OP 96.14,1-4), 4 pages. Question for the PhD graduation of Joannes (Theodorus Martinus Maria) van Rooij, O.Carm (Gerard Zerbolt van Zutphen. 1. Leven en geschriften), 25 May 1936. The typescript shows some corrections by pencil; we present these corrections in italics and in footnotes.
  2. ‘waarover in een werkcollege uw medestudenten met U aandacht schonken aan handschriften en drukken van dezen grootmeester in de Moderne Devotie’ is corrected to ‘waaraan in een werkcollege uw medestudenten met U aandacht schonken handschriften en drukken [b]eschreven’.
  3. ‘konden bespreken’ is corrected to ‘bespraken’.
  4. ‘steeds met de door mij soms geopperde bezwaren en aanmerkingen rekening te houden en daaraan tegemoet te komen’ is corrected to ‘steeds aan de door mij geopperde bezwaren en aanmerkingen tegemoet te komen’.
  5. Crossed out is: ‘Door uw zoo volledig tegemoet komen aan de bezwaren welke ik had is’.
  6. ‘in het afbreken voorlopig en deze inleiding groot genoeg en wetenschappelijk genoeg verantwoord heb geoordeeld om als proefschrift te worden aangeboden’ is corrected to: ‘in het afbreken ervan, deze inleiding was wetenschappelijk genoeg om als proefschrift te worden aangeboden’.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2026